|
Voorwoord
|
Zomer 1992
heeft een groep van 48 leden van de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie
(Nederland) in Polen een zomerkamp gehouden. Dit boekwerkje is een verslag van
de biologische activiteiten op dat kamp, nu al weer bijna drie jaar geleden.
Dit verslag
heeft dan ook al een interessant en bloemrijk verleden.
In de nazomer
van 1992 is een begin gemaakt met de verslaglegging van het zoogdierenonderzoek
dat heeft plaatsgevonden op dit kamp. Oorspronkelijk zou dit verslag namelijk
verschijnen in de vorm van een special van de Bosmuis, het biologisch blad
van de Zoogdierenwerkgroep (ZWG) van de bond. Op het Kerstkongres 1992 werd
verzocht of ook waarnemingen en verslagen van andere natuurstudie-onderwerpen
geplaatst konden worden. De ZWG had hier geen bezwaar tegen. In de loop van
1993 kwamen langzaam steeds meer verslagen en soortenlijsten binnen. Ook begin
1995 kwam nog een verslag binnen. De verslagen over andere onderwerpen bleken
echter zo uitgebreid, dat het niet passend zou zijn om het verslag een Bosmuis
te noemen: het is 'gewoon' het Polen verslag geworden. Hoe mooi het ook is dat
er zo veel verslagen kwamen, helaas leverden alle ijverige auteurs hun kopij
handgeschreven of getypt in, zodat alles eerst ingetypt moest worden om op de
computer verder te kunnen worden verwerkt. Dat overtikken van andermans
(onleesbare) handschriften geen leuke maar wel een tijdrovende bezigheid is
hoef ik waarschijnlijk niemand te vertellen. De toenmalige redacteur heeft
helaas weinig tijd aan het Polen-verslag kunnen besteden. In de loop van 1994
heb ik zijn taak officieus overgenomen en al een groot deel van het typewerk
verricht. Als officieel ZWG-redacteur maak ik nu af waar ik toen aan begonnen
ben, zodat ik mijn aandacht vanaf nu weer volledig op het werkgroepsblad kan
richten.
Hierbij bedank
ik iedereen die aan dit Polen-verslag heeft meegewerkt: de auteurs, die zo
netjes mogelijk hebben geschreven, Rene Kreeftenberg die een deel van het
type-werk heeft gedaan en Martijn de Vries die met de kaarten en illustraties
heeft geholpen. En diegenen die uiteindelijk de vermenigvuldiging en
verspreiding van dit verslag op zich zullen nemen.
Hopelijk brengt
dit verslag goede herinneringen boven bij de toenmalige Polen-gangers en geeft
anderen inspiratie Polen ook eens aan te doen. Ik wens de lezer veel leesgenot.
Riemke Bitter
Deventer, mei
1995
|
InhoudsopgaveInhoudsopgave |
Voorwoord...................................................................................................................................... ‑
1 ‑
Inhoudsopgave............................................................................................................................ ‑
2 ‑
Inleiding.......................................................................................................................................... ‑
4 ‑
1 Ligging en
gebiedsbeschrijving.................................................................... ‑
5 ‑
1.1 Ontstaansgeschiedenis............................................................................................ ‑
5 ‑
1.2 Hoofd-excursiegebieden........................................................................................ ‑
5 ‑
1.3 Overige excursiegebieden...................................................................................... ‑
6 ‑
2 Vogels................................................................................................................................. ‑
10 ‑
2.1 Inleiding en methode............................................................................................. ‑
10 ‑
2.2 Soortbespreking..................................................................................................... ‑
12 ‑
2.3 De waarneming van een Steppenvorkstaartplevier........................................... ‑
26 ‑
2.3.1 Toedracht................................................................................................... ‑
26 ‑
2.3.2 Gegevens waarneming............................................................................... ‑
26 ‑
2.3.3 Beschrijving................................................................................................ ‑
27 ‑
3 Libellen........................................................................................................................... ‑
28 ‑
3.1 Inleiding ................................................................................................................. ‑
28 ‑
3.2 De vangplaatsen..................................................................................................... ‑
28 ‑
3.3 Bespreking vangsten............................................................................................. ‑
28 ‑
4 Insekten.......................................................................................................................... ‑
31 ‑
4.1 Inleiding.................................................................................................................. ‑
31 ‑
4.2 Dagvlinders............................................................................................................. ‑
31 ‑
4.3 Zweefvliegen............................................................................................................. ‑
32 ‑
4.4 Overigen.................................................................................................................. ‑
33 ‑
5 Waterbeestjes............................................................................................................. ‑
34 ‑
5.1 Inleiding, vraagstelling en methode.................................................................... ‑
34 ‑
5.2 Resultaten................................................................................................................ ‑
34 ‑
6 Amfibieën en
reptielen...................................................................................... ‑
35 ‑
6.1 Inleiding.................................................................................................................. ‑
35 ‑
6.2 Soortbespreking amfibieën................................................................................... ‑
35 ‑
6.2.1 Salamanders................................................................................ ‑
35 ‑
6.2.2 Padden........................................................................................ ‑
35 ‑
6.2.3 Kikkers........................................................................................ ‑
36 ‑
6.3 Soortbespreking reptielen..................................................................................... ‑
38 ‑
6.3.1 Hagedissen.................................................................................. ‑
38 ‑
6.3.2 Slangen........................................................................................ ‑
38 ‑
7 Zoogdieren.................................................................................................................... ‑
39 ‑
7.1 Inleiding.................................................................................................................. ‑
39 ‑
7.2 Losse waarnemingen............................................................................................. ‑
41 ‑
7.2.1 Methode...................................................................................... ‑
41 ‑
7.2.2 Resultaten.................................................................................... ‑
42 ‑
7.2.3 Soortbespreking......................................................................... ‑
44 ‑
7.3 Batdetectoronderzoek........................................................................................... ‑
47 ‑
7.3.1 Methode...................................................................................... ‑
47 ‑
7.3.2 Resultaten.................................................................................... ‑
47 ‑
7.3.3 Soortbespreking......................................................................... ‑
49 ‑
7.4 Vallenonderzoek..................................................................................................... ‑
50 ‑
7.4.1 Methode...................................................................................... ‑
50 ‑
7.4.2 Vegetatiebeschrijvingen.............................................................. ‑
52 ‑
7.4.3 Resultaten.................................................................................... ‑
56 ‑
7.4.3.1 Individuen...................................................................... ‑
56 ‑
7.4.3.2 Verplaatsingen............................................................. ‑
57 ‑
7.4.3.3 Doodvangsten............................................................. ‑
58 ‑
7.4.3.4 Nacht en dagactief....................................................... ‑
60 ‑
7.4.3.5 Biotoopvoorkeuren..................................................... ‑
60 ‑
7.4.4 Soortbespreking......................................................................... ‑
63 ‑
7.5 Aandachtsgebieden................................................................................................ ‑
66 ‑
7.6 Conclusie................................................................................................................. ‑
68 ‑
7.7 Dankwoord.............................................................................................................. ‑
69 ‑
Deelnemerslijst en KC......................................................................................................................... ‑
70 ‑
|
Inleiding
|
Dit verslag is
een bundeling van een aantal verslagen, geschreven door diverse deelnemers aan
het zomerkamp van de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie (Nederland) in 1992
in Recz, Polen. Een waarschuwing vooraf voor de lezer is zeker niet overbodig:
door verschillen in schrijfstijl van de auteurs zal niet elk deelverslag even
gemakkelijk lezen. Soms is er ook niet veel te lezen: sommige verslagen zijn
nauwelijks meer dan soortenlijsten. De interesse van de deelnemers ging
kennelijk ook vooral uit naar beesten en beestjes; aan planten wordt weinig
aandacht besteed.
Het eerste
hoofdstuk is een algemene beschrijving van de omgeving en de bezochte excursiegebiedjes.
Hoofdstuk 2 is een vrij uitgebreid verslag van de vogelwaarnemingen, met een
korte bespreking van elk van de 154 waargenomen soorten en een meer
gedetailleerd verslag van een bijzondere waarneming, de steppenvorkstaartplevier.
Hoofdstukken 3,4 en 5 zijn enkele meer beknopte verslagen over libellen,
overige 'land'insecten en een hibi-excursie. Hoofdstuk 6 is weer wat
uitgebreider en bespreekt de waargenomen amfibieën en reptielen. Het laatste,
langste en meest ingewikkelde deel van dit verslag is Hoofdstuk 7, een zeer uitgebreid verslag over
zoogdieren. Dit deel is, voor het overzicht, uitgesplitst in losse waarnemingen,
vleermuizen en vallenonderzoek naar muizen. In de beschrijving van het
vallen-onderzoek naar muizen wordt ook op vegetatie-kenmerken ingegaan, de
enige keer in dit verslag dat de planten aandacht krijgen. In het zoogdierenhoofdstuk
worden ook nog enkele gedachten aan de (beschermings)waarde van de natuur van
Recz gewijd.
|
1 Ligging en gebiedsbeschrijving
|
Het Polen-kamp werd
gehouden van 29 juli tot 12 augustus 1992 op een Karperkwekerij ten zuidoosten
van Recz. Recz ligt in de provincie Pommeren aan de grote weg Szczecin -
Bydgoszcz ongeveer 35 km ten oosten van Stargard (zie kaart 1.1).
1.1 Ontstaansgeschiedenis1.1 Ontstaansgeschiedenis
De naam
Pommeren komt van het woord Pomorze dat letterlijk 'langs de zee' betekent, in
dit geval de Oostzee. Pommeren bestaat uit een gordel van laagvlakten en het
hoger gelegen Pojezienze Pomorskie, het Poolse grote meren gebied. Dit meren
gebied is weer onder te verdelen in verschillende deelgebieden en het kamp werd
gehouden in het gedeelte met de hoogste concentratie meren.
De eerder
genoemde laagvlakten worden van elkaar gescheiden door, in de omgeving van het
kamp vrij lage, stuwwallen met een hoogte variërend van 92 tot 180 meter bij
Inskó. Dit kan omschreven worden als een zwak golvend landschap met wat heuvels
ongeveer als Midden-Limburg. Toch is er een groot verschil tussen de Nederlandse
en de poolse situatie, de Poolse stuwwallen zijn in de laatste ijstijd gevormd
en de Nederlandse in de voorlaatste. Hierdoor zijn veel gevolgen van de ijstijd
in het veld beter te herkennen, de stuwwallen met hun vooruitgeschoven morenen
afgewisseld met smeltwatervlaktes. Deze waren met name ter hoogte van Suliborz
nog goed te zien en natuurlijk ook in het Inskó landschapspark. Een ander
resultaat zijn de vele meren; door de stuwwallen afgedamde rivieren. In een oud
stuwwallengebied zijn de wallen al lang door een deel van de rivieren
doorbroken. Een ander voor ons belangrijk gevolg is de geringe erosie omdat ze
nog maar relatief kort aan de elementen blootgesteld zijn. Hier kan men nog
'ongerepte' hellingbossen vinden met vele bronnetjes en stroompjes.
1.2 Hoofd-excursiegebieden1.2 Hoofd-excursiegebieden
Het
kampterrein, tevens het belangrijkste excursiegebied, lag aan het begin van een
2 km brede en zo'n 3 km lange vallei. De vallei zelf was vrij natuurlijk met
uitzondering van enkele graanakkers, extensief gebruikte hooilanden en een deel
van een uitgestrekt militair oefenterrein. Het grootste deel van de hellingen
is bebost met vochtige loofbossen. deze zijn zo vochtig door de vele bomen die
her en der in de bossen ontspringen. Ze gaan verder als stroompjes die uitkomen
in enkele van de visvijvers en andere voeden doorstroomvenen met hun ruige
randvegetatie voor ze op hun beurt weer uitmonden in beken.
De bossen
bestaan voor het grootste deel uit elzen, berken, essen en andere vochtminnende
loofbomen. Dit zijn over het algemeen vrij lage bomen die zeer dichte bossen
kunnen vormen, hierdoor waren de bossen plaatselijk vrij eenvormig maar zodra
er een open plek o.i.d. gevonden werd
was meteen een grote variatie aan andere struiken en planten te vinden met
bijvoorbeeld veel moerasooievaarsbek, moesdistel en vele zeggesoorten. Rijk aan
planten waren ook de oeverzones van stroompjes en beken met beide soorten
goudveil, eenbes en dotters. De stroompjes en beken zelf waren opvallend arm
aan planten maar de meren die ze voedden waren vaak wel weer rijk begroeid met
veel riet, lisdodde en gele lis vegetatie en in het water fonteinkruiden en
veenworteltapijten. Dit zijn over het algemeen planten van wat voedselrijker
milieus, mogelijk veroorzaakt door het voederen voor de viskwekerij?
Naast
viskwekerij werden deze meren nergens voor gebruikt al was het tijdens het kamp
vaak erg luidruchtig bij één van de meren en werden daar vele kampdeelnemers in
verregaande staat van ontkleding aangetroffen. Vast om de onderwaterflora en -
fauna te bestuderen...
Buiten de
vallei, richting Recz, lag een uitgebreid zwak golvend landbouwgebied met
enkele meer of minder grote viskweekvijvers, enkele kleine bosjes en een grote,
al enkele jaren braakliggende akker.
Landbouw kun je
hier lezen als graanteelt. Pommeren is (was) de graanschuur van Polen en tot
recent ook van het G.O.S.
De graanakkers
zijn veel armer aan onkruiden dan we gehoopt hadden maar toch nog veel rijker
dan in Nederland. Enkele leuke soorten waren Ridderspoor, Klokjes en Wilde
Nigelle.
De meeste
visvijvers waren te vergelijken met de al eerder genoemde meren al hadden ze
wel een gevarieerder oever-begroeiing met els-wilgenstruweel (buidelmeer!).
Een uitzondering was de grootste vijver, door ons de Karpervijver genoemd. Deze
was aan drie zijden omringd door een hoge kade en liep aan de andere zijde uit
tegen een heuvel, ons uitkijkpunt. Aan de binnenzijde van de kade en
plaatselijk in het moerassige stuk onder aan de heuvel waren rietvelden te
vinden die erg vogelrijk waren. In de vijver lagen ook enkele rieteilanden die
door de grote droogte in '92 (van maart tot minstens in augustus geen regen en
tot 35°C) omringd
werden door grote moddervlaktes. Geen wonder dat deze vijver ons iedere dag
weer verraste met leuke vogels.
De bosjes waren
niet echt bijzonder al is het feit dat in een ervan wat menselijke invloed in
de vorm van naaldbomen aanwezig was het vermelden waard.
De
braakliggende akker was zeer interessant. Deze was na de omwenteling door onze
kampboer aangekocht en deze beste man had er al 3 of 4 jaar niets meer op
verbouwd zodat er nu een zeer fraaie steppe-achtige vegetatie a la Hongarije of
Midden-Spanje te vinden was. Ook enkele zeer zeldzame en typerende soorten
vonden het steppe-achtig genoeg en showden zich aan ons: Strobloem, wilde
Averuit, wilde Nigelle en de fraaie vedergrassen. Dit zijn enkele soorten die
nog te herkennen waren, door het zeer extreme klimaat op zo'n steppe/akker verdorren
de meeste planten al in het begin van de zomer. Insekten en andere dieren,
m.u.v. bijvoorbeeld zandhagedissen, worden hier dan ook compleet weggeschroeid
in de zomer of maken alleen gebruik van het gebied bij bewolkt weer of 's
morgens vroeg. De enkele specialisten die het hier dan ook in de zomer
volhouden waren voor ons allemaal superzeldzame soorten.
1.3 Overige excursiegebieden1.3 Overige excursiegebieden
- Bossen en
meren gebied ten westen van Recz. Hier lagen uitgestrekte produktiebossen met
vooral veel dennen en sparren. In het eerste deel van het gebied lagen ook
enkele meren en hooilanden. Er zijn hier maar weinig excursies naar toe geweest
maar deze leverden toch hele leuke waarnemingen op: broedende visarenden,
kraanvogels en regelmatig ringslangen. bij een eventueel volgend bezoek is het
aan te raden dit gebied beter te onderzoeken met de nadruk op de eerste 3-5 km
vanaf Recz.
- Veen bij
Netkowo. Dit gebied ligt ong. 1,5 km ten zuidoosten van Netkowo wat weer 4 km
ten oosten van Recz ligt. Het is een voormalig veen dat al lange tijd geleden
afgegraven is en dit jaar een sterk verdroogde aanblik bood. Het is een zeer
rijk gebied met leuke vogels als Kraanvogel, Rode wouw en Wielewaal, veel
vossen, ruige planten zoals bijv. Engelse alant maar het is vooral van belang
voor insekten. In de jonge berkenbosjes die op de vochtigere veenrestanten
zijn aangeplant waren vele soorten zweefvliegen en andere diptera te vangen
maar het is vooral goed voor vlinders: koninginnepage, minstens zes soorten parelmoervlinders (waaronder de
Pallas parelmoer ofwel de Litauwse Keizersmantel) en rouwmantels. Een erg
belangrijk gebied dat in mijn ogen gisteren al natuurgebied had moeten zijn.
- Rivierdal van
de Drawno ten zuiden van Drawno. Dit gebied is een van de beroemdste
landschapsreservaten van Polen. De rivier wordt hier begeleid door een veelvoud
aan bossen van allerlei types: bronnetjesbossen, broekbossen, een soort ooibos
met open stukken, veel populieren en weinig ondergroei, en op de hellingen een
mengsel van eiken, beuken, haagbeuken en iepen. Kortom een zeer rijk en
afwisselend gebied maar het bleek in de zomer voor flora en fauna niet echt
interessant. De planten waren grotendeels uitgebloeid, de vogels zongen niet
meer en de otters en bevers waren allang verstoord door andere dagjesmensen
voor wij eens kwamen aankakken na een kolere eind fietsen. Beter geschikt voor
een april/mei bezoek.
- Beekdal ten
zuiden van Krepa. Eén van de mooiste gebieden die we op het kamp gezien hebben.
Het ligt ± 40 km ten OZO van Recz aan de spoorlijn naar Walcz. Vanaf het
station is het eerst een stuk door saaie grove den aanplant maar deze wordt al
snel vergeten na aankomst bij het stuwmeer. Dit meer is het eindpunt van een
ongelooflijk mooie beek met zeer afwisselende vegetatietypen aan zijn oevers
variërend van vochtig elzenbroekbos met kwelbronnetjes tot heischraal grasland
met als bosvormer de jeneverbes met daartussenin andere bossen, moerassen en
graslanden. Door deze veelvoud aan biotopen is het gebied natuurlijk ook zeer
rijk aan flora en fauna. Enkele blikvangers waren Parnassia en Paardehaarzegge
en bij de beestjes Grote vuurvlinder, 'gewone' en kleine tanglibelle, bever
enz. enz. (en voor de insiders niet te vergeten wilde zwijnen).
Mogelijk
vergeet ik nu enkele goede gebieden maar de hiervoor genoemde waren wel de
betere. Natuurlijk is in zo'n oostelijk gebied voor ons veel te zien en lijkt
ieder berm, sloot of bosje wel iets leuks op te leveren met nog veel leukere
dingen in de natuurgebieden die iedereen dan weer gaat bezoeken na tips van
eerdere excursies. Misschien is het beter om op een volgend kamp met een
inventarisatie-doelstelling een betere verdeling van de te bezoeken gebieden te
maken zodat er van meer gebieden wat bekend raakt en niet zoals nu van slechts
enkele zeer goede gebieden. Op die manier kunnen we dan misschien volledige
gegevens leveren. Een andere, laatste aanbeveling is het maken van de
gebiedsbeschrijving op kamp zodat de BL niet 6 maanden later avonden moet
ploeteren en vechten met zijn geheugen.
Pierre van der
Wielen
Kaart 1.1 Ligging Recz in Polen
|
|
Kaart 1.2 Omgeving Recz en kampterrein
|
|
|
2 Vogels2 Vogels |
2.1 Inleiding en methode2.1 Inleiding en methode
"Waarom ga
je als vogelaar nu in godsnaam naar het westen van Polen als 5-600 km verderop
in Oost-Polen enkele van de beste vogelgebieden van Europa liggen?" Deze
vraag zal aan meerdere vogelaars die naar dit kamp gingen gesteld zijn. Mijn
reden hiervoor was vooral nieuwsgierigheid of het westen echt zo matig is of
het oosten zo overschat wordt of dat, zoals zo vaak, de waarheid in het midden
ligt.
Nu, na afloop
van het kamp, kan de balans opgemaakt worden. Het zal wel terecht zijn dat het
oosten zoveel bezocht wordt maar het is oerstom om op weg daar naar toe het
westen volledig over te slaan zoals de meeste vogelaars doen. Het gebied
rondom Recz heeft voor ons westerlingen al vele leuke oostelijke soorten te
bieden en de meeste zijn in goede aantallen aanwezig.
Het door ons
bezochte gebied rondom Recz en dan met name het (vis)vijvercomplex direct ten
oosten hiervan is enorm vogelrijk en relatief klein. In dit gebied van slechts
2 bij 1 á 1,5 km troffen wij, in dit vrij matige seizoen, maar liefst 154
soorten aan waaronder o.a. alle 5 de Europese Futen, 3 soorten Arenden onder de
14 roofvogelsoorten, 6 soorten Spechten en goede bossoorten als Grauwe Fitis en
Kleine Vliegenvanger.
Geen wonder dat
er veel aandacht aan vogels besteed is. Iedere dag waren er minimaal 1 en
maximaal 3 op vogels gerichte excursies en op enkele andere excursies werd ook
wel eens een vogel genoteerd. Deze waarnemingen verdwenen dit keer niet in de
roemruchte stoffige notitieboekjes maar werden ook nog eens op
excursieformulieren gezet. Anderen gaven er de voorkeur aan om hun waarnemingen
's avonds aan de auteur dezes te dicteren en weer anderen leverden hun gegevens
na afloop van het kamp in. In totaal werden zo van 8-10 mensen waarnemingen
ontvangen.
Na afloop van
het kamp bleken toch wat dingen misgegaan te zijn met dit systeem. Sommige
mensen noteerden alleen de soort en niet de aantallen, sexe of andere gegevens,
soms ontbraken er gegevens over de determinatie, stonden er soorten op de
kamplijst die niet op de excursieformulieren terug te vinden waren maar het
vervelendst was de geringe animo om de algemene en minder algemene soorten te
noteren. Van meerdere toch wel leuke soorten in dit deel van Polen zoals
bijvoorbeeld Tortelduif, Grote Lijster etc. kon zo geen goed beeld van het
voorkomen gevormd worden.
Maar ondanks
dit alles is er toch een flinke prestatie geleverd, vrijwel alle van de
vermoedelijk in het gebied verblijvende soorten zijn gevonden met enkele
uitzonderingen (Gekraagde roodstaart!) en daarnaast werden er nog enkele
extraatjes in de vorm van Poelsnip en Steppenvorkstaartplevier gevonden. Al
met al, een op vogelgebied zeer geslaagd kamp in een fantastisch gebied!
Kaart 2.1 Positie vijvers en uitkijkpunt
|
|
2.2 Soortbespreking2.2 Soortbespreking
1) Dodaars
Vrij algemeen
op geschikte plekken die vreemd genoeg alleen in de omgeving van het kampterrein
bleken te liggen. Eén paar met twee juvenielen zat op plas C (zie kaart),
minstens twee paartjes met respectievelijk vier en zes juvenielen zaten op plas
A, vergezeld van nog een paar vogels en als laatste enkele losse exemplaren op
de Karpervijver. Het was niet mogelijk om daar het aantal paartjes te bepalen.
2) Fuut
Algemeen op de
meeste grote meren in de buurt van Recz. Juvenielen zijn alleen gezien op de
Karpervijver, minstens twee paar en op de grote plas ten zuiden van Chemnietz,
één paar.
3) Roodhalsfuut
Gedurende het
hele kamp verbleef een adult met twee juvenielen op plas F. Behalve deze
eenvoudig te vinden beauties verbleven er nog twee adulten op de plas ten
zuiden van Chemnietz.
4) Kuifduiker
Een volledig
winterkleed adult werd op 2 augustus ontdekt op plas A en werd toen vergezeld
door twee juveniele fuutachtigen. Helaas konden deze juvenielen op latere data
niet worden teruggevonden, helaas omdat het dan het derde Poolse broedgeval zou
hebben betroffen. Eerdere broedgevallen vonden in 1972 en 1985 plaats. De adult
is het hele kamp aanwezig gebleven.
|
|
5) Geoorde Fuut
Alleen
waargenomen op de Karpervijver en mogelijk twee juvenielen ( zie Kuifduiker) op
plas A. Een telling op 2 augustus leverde een minimum aantal van 28 exemplaren
op. Het aantal paartjes was lastiger te bepalen; adulte vogels verlaten de
broedplaats zodra de jongen voor zichzelf kunnen zorgen en net in deze tijd
ruien de adulten waardoor ze moeilijk van de juvenielen te onderscheiden zijn.
Een schatting op basis van de getelde aantallen en ervaring op de Brabantse
broedplaatsen bedraagt zo'n negen paartjes maar het werkelijke aantal kan daar
flink boven liggen.
6) Aalscholver
Geregeld gezien
maar de meeste waarnemingen hebben betrekking op hetzelfde groepje van vijf die
geregeld op de Karpervijver kwamen vissen en mogelijk ook slapen. Voor zover
nagegaan kon worden was er maar één andere waarneming n.l.twee vogels op het
meer bij Chemnietz.
7) Roerdomp
Twee of drie
keer is er een roerdomp gehoord in dezelfde hoek van de Karpervijver, zodat er
wel van uitgegaan mag worden dat het één vogel betreft.
8) Blauwe
reiger
Vrij algemeen
in de nabijheid van plassen, beken en moerassen en dus ook vaak gezien. Het
maximum aantal in de aangeleverde notities was zes bij de Karpervijver.
9) Ooievaar
Zoals iedereen
die op het kamp was kan beamen is de Ooievaar in Polen nog steeds een algemene
broedvogel. Er werden er dan ook dagelijks gezien in sterk wisselende
aantallen., met een maximum van 20 á 25 exemplaren bij Chemnietz. Naar het
eind van het kamp viel meerdere mensen de toenemende groepsgrootte op,
duidelijk het begin van de herfsttrek. In Recz vonden we drie bezette nesten en
in Lubinow op een boerderij ook drie en dan nog her en der verspreid een nest.
10) Zwarte
Ooievaar
Deze fraaie
vogel is vier keer gezien, op 2 augustus één over Recz, op de vijfde één, op de
9e drie en ten slotte op de 11e weer één over of bij de kampplaats. N.B. er
zijn in Polen zo'n 800-900 paartjes!
11)
Knobbelzwaan
Slechts twee
waarnemingen van deze in Polen zeer algemene soort. Eén op een klein meer twee
kilometer ten westen van Recz en de ander zat op het grote meer ten zuiden van
Chemnietz.
12) Grauwe gans
Op 3 augustus
werden er drie op de Karpervijver gezien.
13) Wilde eend
Algemeen tot
zeer algemeen op alle natte plaatsen met als (rare) uitzondering de grotere
meren. Mogelijk wordt daar intensief gejaagd of zo.
14)
Wintertaling
Alleen op de
Karpervijver gezien met een maximum van negen exemplaren.
15) Zomertaling
Er verbleef één
zomertaling het gehele kamp op de Karpervijver en hetzelfde (?) exemplaar
verblijdde op de laatste dag meer F met een kort bezoek. Gezien de
determinatieproblemen bij talingen in de ruitijd is dit natuurlijk een
onderschatting van het werkelijke voorkomen van deze in Polen niet zeldzame
soort.
16) Slobeend
Wel waargenomen
maar de waarnemer was zo slim om er verder niets bij te zetten over plaats,
datum of aantal.
17) Kuifeend
Vrij algemeen
op dichtbegroeide plassen waar groepen tot 25 exemplaren konden worden gezien.
Er was een mooie tweedeling te zien, op de kleinere meren verbleven vooral
vrouwtjes en juvenielen en op de grotere plassen voornamelijk ruiende
mannetjes. In een zo'n groep op de Karpervijver verbleef een tijdje een
afwijkend mannetje met een grijszwarte i.p.v. zwarte rug.
18) Tafeleend
Minder talrijk
dan de Kuifeend, alleen gezien op de plassen bij het kamp (max. vier
exemplaren) en op de Karpervijver. Op beide plaatsen was gebroed. Volgens de
Poolse avifauna is dit de algemeenste duikeend.
19) Witoogeend
De zeldzaamste
eend op kamp, op plas C verbleven het hele kamp een mannetje eclipskleed en een
vrouwtje of juveniel. Mogelijk waren er meer aanwezig maar hoe langer je de
Tafeleenden die er bij zaten bekeek hoe meer vogels met enkele kenmerken van
beide soorten gevonden werden.
20) Brilduiker
Twee vrouwtjes
zwierven rond het kampterrein en werden op vrijwel iedere plas gezien. Een
groep van meer dan 25 stuks (man/vrouw/juveniel) werd nabij Tuczno gezien.
21) Zeearend
Deze grote en
indrukwekkende roofvogel werd iedere dag wel enkele keren gezien in het gebied
tussen het kampterrein en Recz. Het was mogelijk om minstens vier individuen te
onderscheiden: twee adulten die meerder malen samen gezien werden, een tweede
of derde jaars vogel en minstens één eerstejaars vogel. De adulten en de
eerstejaars vogel werden regelmatig in elkaars gezelschap gezien, de reden
waarom we denken dat er in de directe omgeving van het kamp een broedgeval
heeft plaatsgevonden. Naast (?) die twee adulten sliep er ook nog een adult
bij plas A zodat er mogelijk zelfs drie adulten aanwezig waren.
De vogels
werden meestal hoog boven de plassen cirkelen gezien maar af en toe hadden we
het geluk dat ze in de bomen rond de Karpervijver zaten te niksen. Puur
genieten.
22)
Schreeuwarend
Nogal
onverwacht zagen we op de 5e tijdens het koken opeens een mooie, adulte
schreeuwarend over het kampterrein zeilen. Het begin van de dagelijkse
waarnemingen vanaf toen:
- 6 augustus: één exemplaar ten westen van Recz
- 7 augustus: twee adulten jagend bij de Karpervijver
- 8 augustus: één exemplaar over het kamp
- 9 augustus: twee adulten en later nog een juveniel bij de Karpervijver
en twee adulten boven het kampterrein baantjes trekkend
- 10 augustus: één juveniel bij de Karpervijver
- 11 augustus: één juveniel bij de Karpervijver
We vermoeden
dat er drie of vier Schreeuwarenden nabij het kampterrein aanwezig waren, twee
adulten en de juveniel en als mogelijke vierde vogel die van de 6e maar dit kan
gezien de afstand die zo'n arend af kan leggen een van 'onze' vogels zijn
geweest. Gezien het heimelijke gedrag nabij de kampplaats is een broedgeval
in het broekbos direct achter het kamp niet uitgesloten, om niet te zeggen zeer
waarschijnlijk.
23) Buizerd
Het vrijwel
ontbreken van Buizerdwaarnemingen doet vreemd aan als je weet dat het veruit de
algemeenste roofvogel van Polen is. De enige plek met meer dan twee buizerden
was, zoals gebruikelijk, de kampplaats. Hier broedde namelijk een paartje in
het bos op de heuvel met drie of vier juvenielen. Zelfs in andere op het oog
goede habitats werden vrijwel geen Buizerden gezien.
24) Wespendief
De op één na
algemeenste roofvogel in de omgeving van Recz. Hij werd dagelijks gezien in aantallen
die varieerden van twee tot vijf exemplaren. Verder weg werden bij alle grotere
boscomplexen wel Wespendieven gezien in lage aantallen. Ten westen van Recz
werd een nest gevonden en nabij de kampplaats werden er twee vermoed.
25) Havik
Er waren maar
twee waarnemingen n.l. een vrouwtje op zowel de 8e als de 11e bij de
Karpervijver. De zeldzaamheid van de havik kan mogelijk verklaard worden met
het ontbreken van naaldbos in de omgeving.
26) Sperwer
Slechts één
waarneming van deze in het broedseizoen lastig te vinden soort: op drie
augustus joeg een vrouwtje boven het meer.
27) Rode Wouw
Volgens onze
waarnemingen is de Rode wouw veel algemener dan zijn zwarte verwant dit in
tegenstelling tot de Poolse avifauna. Volgens dit boek is de zwarte wouw vooral
talrijk in het noordwesten en de Rode Wouw in de Rest van het land. dagelijks
vlogen er twee rond het kamp en de Karpervijver, er zaten er drie ten zuiden
van Chemnietz op een akker met één zwarte wouw en 16 Raven, één bij Netkowo en
dan nog diverse andere waarnemingen in de omgeving.
28) Zwarte wouw
Slechts twee
waarnemingen van de minst elegante wouw, één ten westen van Recz en nog een op
3 augustus bij Chemnietz (zie rode wouw)
29) Bruine
Kiekendief
De algemeenste
roofvogel tijdens het kamp die op vrijwel alle geschikte plekken wel te zien
was. Mogelijk toch een iets vertekend beeld omdat de meeste waarnemingen
afkomstig waren van een familie van vijf stuks op de Karpervijver. Toch was het
duidelijk dat er meer vogels in de omgeving aanwezig waren, zo werden er op de
10e vijf adulte mannetjes en twee adulte vrouwtjes naast de drie gebruikelijke
juvenielen geteld. Daarnaast werd ook nog een broedgeval vastgesteld ten zuiden
van Chemnietz waar vier vogels werden geteld.
|
|
30) Blauwe
Kiekendief
Er waren drie
waarnemingen gedurende het kamp, waarvan slechts van een details beschikbaar
zijn: een vrouwtje of eerstejaars vloog op de 9e over de Karpervijver naar het
zuiden.
31) Grauwe
Kiekendief
Slechts enkele
waarnemingen die waarschijnlijk allemaal afkomstig zijn van een broedgeval ten
zuidoosten van het kampterrein. Het nest lag in een graanveld langs de weg
naar Lubionow. Het mannetje werd vrij geregeld jagend boven de graanvelden en
enkele malen boven de Karpervijver gezien. Er was een waarneming van een
vrouwtje buiten de broedplaats; 9 augustus ten oosten van de Karpervijver,
gezien het gedrag mogelijk al een trekker.
32) Visarend
Visarenden
konden vooral rondom Recz gezien worden tot drie per dag. Vanwege het grote
aantal waarnemingen en het gebrek aan detailnotities is het exacte aantal niet
te bepalen, maar het zal liggen tussen de drie en 10. Zeker is i.i.g. een nest
ten westen van Recz en mogelijk ook nog een ten oosten van ons kamp waarheen
dagelijks Visarenden met vis in hun klauwen vlogen. Volgens de plaatselijke
bioloog zou er een nest zijn op het militaire oefenterrein. Op andere plaatsen
waren er enkele zwervende waarnemingen.
33) Boomvalk
Het vrijwel
afwezig zijn van de Boomvalk was voor meerdere vogelaars een rare gewaarwording:
perfect broedbiotoop, kuddes libellen boven fraaie plassen en een boel
jeugdbonders om alles te noteren maar toch leverde dit alles maar één
waarneming op. Op 6 augustus vloog er één bij Recz.
34) Torenvalk
Er was slechts
één waarneming te vinden op de excursieformulieren en in de diverse notitieboekjes.
Ondanks het feit dat de Torenvalk in Polen verschrikkelijk hard achteruit
gaat, gaat het er bij mij niet in dat de waarneming van twee exemplaren bij de
zuidoever van de Karpervijver de enige zou zijn. Mogelijk nemen de
excursiegangers niet de moeite om de TV te noteren?
35) Patrijs
Eén juveniel
werd ten zuiden van Chemnietz gevonden als verkeersslachtoffer en af en toe
werden er enkele patrijzen opgepest door de zoogdierenmensen op zoek naar hun
muizevallen.
36) Kwartel
Gedurende het
hele kamp zat er één (op de 2e twee) mannetje zichzelf aan te prijzen in een
graanveld boven plas C. Deze was voor de luilakken zelfs vanuit de tent te
horen.
37) Kraanvogel
We hadden het
genoegen op hoorafstand van een Kraanvogelslaapplaats te kamperen zodat
vrijwel iedereen op het eind van het kamp het geluid zo'n beetje kon dromen.
Naast de slaapplaats waren er nog enkele waarnemingen:
Op 3 augustus
is 2 km ten noorden van Recz in de schemering een grote groep gehoord, en zijn
8 km ten noorden van Recz twee adult en twee juvenielen op een al gemaaide
graanakker gezien. Op vier augustus vlogen tien exemplaren over het kampterrein
en één ex. naar het westen over het veen bij Netkowo. Op de 6e werden vanuit
de trein enkele kilometers ten oosten van Recz twee exemplaren gezien, op 10
augustus twee exemplaren op akkers bij Lubiniow. En dan nog enkele geluidswaarnemingen
her en der.
38) Waterral
Op 30 juli riep
er één vanuit het rietzoompje bij plas B op het kampterrein en enkele keren
werden en wat gehoord vanuit de moerassige gedeeltes rond de Karpervijver.
39) Waterhoen
Vrij algemeen
op plassen met dichtbegroeide oevers.
40) Meerkoet
Algemeen op
meeste plassen en meren
41) Kievit
Veruit de algemeenste
steltloper op het kamp. De grootste aantallen verbleven op de Karpervijver
maar ook op andere plassen werden af en toe forse groepen gezien en op sommige
dagen trokken ze ook goed naar vnl zuid en zuidoostelijke richtingen.
Waarschijnlijk was daar ergens een grote slaapplaats omdat Kievieten van de
Karpervijver tegen de avond ook in die richting afnokten. Helaas konden we die
slaapplaats niet vinden, dergelijke plekken leveren vaak ook veel andere
steltlopers op. Het maximum op de Karpervijver bedroeg zo'n 800 exemplaren.
42) Kleine
Plevier
Op zowel de 1e
als de 7e werd er één Kleine plevier op de Karpervijver gezien, op de 7e zelfs
nog even baltsend.
43)
Steppenvorkstaartplevier
Veruit de
zeldzaamste soort van het kamp. Op de 7e verbleef één adulte vogel 2,5 uur op
de Karpervijver in een groep Kievieten. Helaas kon de vogel de volgende dagen
niet meer teruggevonden worden. Een volledige beschrijving is opgestuurd naar
de Poolse rariteiten commissie en zal hier als bijlage (laatste paragraaf) bijgevoegd
worden. Overigens is dit de 4de (Poolse Avifauna) of 7e (Lewington e.a.)
waarneming voor Polen. In dezelfde periode werden er ook twee gezien in
Noord-west Polen en nog één in Estland zodat we wel kunnen spreken van een
kleine invasie van Oost-Europa.
44) Bonte
Strandloper
Twee adulte
bontjes werden op 2 augustus op de Karpervijver gezien.
45) Houtsnip
Er is slechts
één Houtsnip gezien, op het eind van het kamp werd deze opgepest in een nat bos
een km of 10 ten Oosten van Recz. Er is dus veel te weinig gestruind.
46) Poelsnip
Alweer zo'n
verrassende waarneming, misschien wel de meest onverwachte van het kamp, was de
waarneming van vier over het kampterrein vliegende en roepende Poelsnippen op
31 juli. Ik hoorde hierbij de typische vluchtroep ( mij bekend van bandjes en
uit Israël), zag de donkere ondervleugel en de, vergeleken met Watersnip, zware
vlucht die meer aan een Houtsnip of eend doet herinneren.In de beschikbare
literatuur werd alleen Oost-Polen als broedgebied genoemd, hadden wij nu het
geluk om enkele westelijkere broedvogels te ontdekken of waren het trekkers uit
Scandinavië?
47) Watersnip
Voornamelijk
gezien op de Karpervijver en slechts enkele waarnemingen op het kampterrein en
voor zover bekend geen daarbuiten. Het maximum getelde Watersnippen bedroeg 46
maar dit is natuurlijk een minimum door het verscholen gedrag van deze soort.
Het maximum op het kampterrein was vier exemplaren.
48) Wulp
Op de 7e
verbleef er een Wulp de gehele dag op de Karpervijver, een leuke waarneming voor
de regio.
49) Oeverloper
Ook weer zo'n
soort die door de meesten niet genoteerd werd. Daardoor zijn er slechts twee
waarnemingen doorgegeven, twee exemplaren van de Karpervijver en twee
exemplaren van plas C. Dit zijn waarschijnlijk al trekkers geweest maar de
soort broedt schaars in geheel Polen met concentraties in Pommeren.
50) Witgatje
Op de meeste
plassen konden wel Witgatjes gevonden worden maar het ging meestal om
eenlingen. Grotere aantallen werden alleen gezien op de Karpervijver (minstens
twee) en op plas B (vier exemplaren).
51) Bosruiter
Deze soort werd
uitsluitend op de Karpervijver gezien. Gedurende het kamp namen de aantallen
langzaam toe van één naar vijf exemplaren.
52)
Groenpootruiter
Twee
Groenpootruiters werden bijna dagelijks op de Karpervijver gezien.
53) Zwarte
ruiter
Zoals bij de
meeste steltlopers werden ook de meeste Zwarte ruiters op de Karpervijver
gezien. De aantallen varieerden van vijf tot twaalf exemplaren. De modderrandjes
hadden duidelijk een gigantische aantrekkingskracht op steltlopers. Slechts
één Zwarte ruiter werd op een andere plek gezien, de al bijna even onvermijdelijke
kampplaats.
54) Kemphaan
Eén juveniele
Kemphaan bracht enkele dagen aan de Karpervijver door.
55) Stormmeeuw
Er is er één
boven de Karpervijver gezien: stond op de soortenlijst maar verdere details
ontbraken.
56) Kokmeeuw
Helaas was de
auteur de enige die (soms) de aantallen e.d. van Kokmeeuwen noteerde want de
Kokmeeuw is echt geen algemene soort in deze regio. Ditzelfde probleem trad bij
veel meer of minder algemene zangvogels nog sterker op. De grootste aantallen
(minder dan tien exemplaren) verbleven op de Karpervijver en op het meer bij
Inskó.
57) Zwarte
Stern
Alleen op de
eerste excursiedag werden er nog een paar Zwarte sterns geteld, uiteraard op de
Karpervijver. Afhankelijk van de excursie werden er vier of vijf geteld.
58)
Witvleugelstern
Eén juveniele
Witvleugelstern vloog gezellig met de Zwarte sterns mee en vertrok helaas ook
met hun op de 31e.
59) Visdief
Zoals bij de
andere sterns konden we alleen maar het staartje van de trek meemaken. Op
dezelfde dag als de moerassterns verbleven er ook vijf Visdiefjes op de
Karpervijver.
60) Dwergstern
Enkele mensen
hadden het geluk om op de 1e augustus na vertrek van de overige sterns twee
adulte Dwergsterns te ontdekken op de Karpervijver. In eerste instantie doet
deze waarneming zover van de kust wat vreemd aan maar in Oost-Europa broeden
Dwergsterns ook in het binnenland langs rivieren en plassen.
61) Stadsduif
Zeer algemeen
nabij dorpen en andere bebouwing.
62) Holenduif
Vrij algemeen
op plaatsen met zowel open loofbos als akkers of andere voedselbronnen.
63) Houtduif
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
64) Zomertortel
(ook wel "Tortelduif")
Zeker niet
algemeen maar om de een of andere vage reden door niemand genoteerd.
65) Turkse
Tortel
Talrijk nabij
boerderijen en silo's.
66) Koekoek
Slechts één
waarneming, op 8 augustus vloog er één over het kampterrein.
67) Steenuil
Een roepende
Steenuil kon meerdere avonden beluisterd worden net ten Noorden van het kamp.
68) Bosuil
Enkele Bosuilen
riepen af en toe in de uitgestrekte bossen tussen het kampterrein en de
spoorlijn. Op basis van de roepen konden één mannetje en twee juvenielen
onderscheiden worden. Waarschijnlijk heeft hier een broedgeval plaatsgevonden.
69) Kerkuil
Deze soort is
niet in levende lijve aanschouwd maar in de kerk van Recz werden wat oude
braakballen van deze soort verzameld.
70) Gierzwaluw
Op de eerste
dagen van het kamp was de Gierzwaluw nog vrij algemeen maar dit liep snel af
naar het eind van het kamp toe. Grote groepen verzamelden zich vaak boven de
plassen waarna ze of gingen pitten of in een compacte groep naar het verre
zuiden nokten.
71) IJsvogel
Er was een
broedend paartje met twee of drie pas uitgevlogen jongen in het bosje achter
plas C. Deze vogels leken er nogal plezier in te hebben om over de kampvijvers
te scheuren voor een groot publiek. Het nest zat in een steile kant van een
holle weg. Ook op andere plassen in de buurt werden regelmatig IJsvogels
gezien. Daarnaast nog een paar op verre excursies zoals langs de beken bij
Krepa, langs de Drawa enz. enz. Deze soort is duidelijk niet zeldzaam in
Pommeren.
72)
Grijskopspecht
Al op de eerste
ochtend konden we vanuit onze tenten van de luide roepen van een paartje
Grijskopspecht met minstens twee juvenielen genieten. Ze verbleven vooral in
een elzenbroekbos direct achter het kampterrein. Behalve deze dagelijkse waarnemingen
zijn er alleen nog een paar gezien in een bosje bij de Karpervijver. De
gelijkenis met sommige wielewaalroepen was meer dan oppervlakkig en ook in de
vlucht zijn juvenielen in een korte blik prima te verwarren. Zorg er dus voor,
voor je in Nederland een Grijskopspecht claimt, de vogel uitstekend gehoord en
gezien te hebben!
73) Grote Bonte
Specht
Algemeen op
bijna alle plekken met meer dan tien bomen.
74) Middelste
Bonte Specht
Niet echt
zeldzaam in de meeste oude bossen in de streek maar verschrikkelijk moeilijk
te vinden als de vogel niet roept. Gelukkig zat er ook van de Mibo een paartje
op het kampterrein zodat iedereen het kenmerkende gekwek kon leren. Dit leverde
waarnemingen op naast plas C., langs de Drawa en in de enorme bossen ten
noorden van Inskó.
|
|
75) Kleine
Bonte Specht
Er werd er één
in een groep zangertjes gezien die de bosrand rond plas C. aan het leegroven
waren. Twee werden er nog gezien in het kleine bosje ten oosten van de
Karpervijver. Het ziet er naar uit dat het de zeldzaamste Bonte specht in deze
regio was.
76) Zwarte
specht
Enkele Zwarte
spechten zwierven door de bossen tussen het kamp en de spoorlijn en lieten zich
af en toe horen.
77) Draaihals
Er is slechts
één waarneming gedaan, een roepend mannetje bij het kampterrein.
78)
Veldleeuwerik
Zeer algemeen
in allerhande open biotopen, niet genoteerd.
79)
Boomleeuwerik
Twee keer
werden er Boomleeuweriken gezien in hetzelfde gebied, "ergens tussen Recz
en Drawa", de eerste keer zes en de andere keer vier exemplaren.
80) Oeverzwaluw
Niet zeldzaam.
81)
Boerenzwaluw
Zeer algemeen.
82) Huiszwaluw
Het was leuk om
te zien dat de Huiszwaluw in Polen nog erg algemeen is in zowel de bebouwde kom
als op het platteland.
83) Boompieper
Vrij algemeen
in open, licht beboste gebieden zoals verruigde weilanden met struiken, venen
en kapvlaktes.
84) Graspieper
Minder algemeen
dan de Veldleeuwerik waarmee ze in de meeste gevallen samen voorkwam. Alleen op
(erg) vochtige weiden komt de Graspieper in grotere aantallen voor.
85) Gele
kwikstaart
Om de een of
andere vage reden heeft vrijwel niemand Gele kwikstaarten genoteerd terwijl de
soort er zeker niet algemeen was. Werd in ieder geval regelmatig nabij de
Karpervijver en in graanvelden gezien.
86) Grote gele
kwikstaart
Enkele malen
vloog er één over ons kampterrein en daarnaast werden er nog enkele gezien
naast de mooiere beken, bijvoorbeeld de Drawa.
87) Witte
Kwikstaart
Algemeen nabij
bebouwing en in allerhande open gebieden.
88)
Winterkoninkje
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
89) Heggemus
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
90) Roodborstje
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
91) Zwarte
roodstaart
Vrij zeldzaam,
alleen maar gezien in de omgeving van Recz zoals op het station en bij de
gebouwen rondom de Karpervijver.
92) Paapje
Zeer algemeen,
de herfsttrek was duidelijk begonnen en versterkte de toch al niet geringe
aantallen van de ter plekke broedende Paapjes. Broedgevallen werden
vastgesteld in weilandgebieden, overhoekjes in akkerbouw-gebieden en op (verdroogd)
veen. Het maximum aantal bedroeg 16 exemplaren in een groep nabij Lubiniow.
93)
Roodborsttapuit
Er werd slechts
één Roodborsttapuit gezien en wel in de bij Paapje vermelde groep nabij
Lubiniow.
94) Tapuit
Iemand plaatste
deze soort op de kamplijst maar details over deze waarneming zijn niet bekend.
Ook op de heenweg zijn vanuit de trein waarnemingen gedaan.
95) Merel
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
96) Zanglijster
Algemeen, niet
genoteerd.
97) Grote
Lijster
Zeker niet
algemeen maar vrijwel niet genoteerd. Werd vooral in en nabij bossen gezien.
98) Kramsvogel
De Kramsvogel
is in dit gedeelte van Pommeren een vrij schaarse broedvogel gezien onze
waarnemingen wat redelijk overeenkomt met de Avifauna. Alleen ten oosten van
Recz werden enkele juvenielen en het aantal overige waarnemingen is op de
vingers van twee handen te tellen.
99)
Sprinkhaanrietzanger
De enige
waarneming betrof een mannetje, zingend vanuit een bosje in een nat weiland ten
oosten van de Karpervijver. In Polen is dit de minst algemene van zijn familie
met als talrijkste soort de Snor en daarna de Krekelzanger.
100) Rietzanger
In kleine
aantallen aanwezige rondom de Karpervijver. Voor zover bekend nergens anders
waargenomen.
101)
Bosrietzanger
Slechts twee
zekere waarnemingen, beide aan de Karpervijver. Stellig veel algemener maar het
werkelijke voorkomen buiten het broedseizoen, wanneer de soort niet meer zingt,
wordt vertroebeld door de determinatieproblemen tussen de Bosrietzanger en de
Kleine karekiet. Gezien het landschap in deze regio zal ook hier de
Bosrietzanger behoorlijk algemeen zijn.
102) Kleine
karekiet
Zeer algemeen
op alle plaatsen met een rietzoom.
103) Grote
Karekiet
Een exemplaar
verbleef een paar dagen aan de oostzijde van de Karpervijver. De typische
roepjes van de juvenielen van deze soort werden niet gehoord zodat het wel om
een trekker zal gaan. De enige andere waarneming betrof één ex. op de plas bij
Inskó.
104) Spotvogel
Algemeen in
gebieden met bosjes, struweel en grote tuinen, meestal niet genoteerd. Opmerkelijk
was het voorkomen in rietvelden bij de Karpervijver.
105) Braamsluiper
Vrij algemeen
in bosjes en struwelen.
106) Grasmus
Als
Braamsluiper maar algemener en ook in vochtiger biotopen zoals venen.
107)
Tuinfluiter
Algemeen, niet
genoteerd.
108) Zwartkop
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
109)
Sperwergrasmus
Enkele (drie of
4) Sperwergrasmussen verbleven net ten zuiden van het kampterrein nabij de
voormalige watermolen in een paar houtwallen. Een ander exemplaar werd bij de
Karpervijver gehoord.
110) Grauwe
fitis
Nog zo'n grote
verrassing was de vondst van een zingende Grauwe fitis boven mijn tent op 1
augustus. In eerste instantie amper te geloven, tot bleek dat ook Bram Aarts
deze vogel had gehoord en gezien. Ondanks enkele intensieve zoektochten konden
hier geen andere exemplaren gevonden worden, het zal dus wel een ongepaard
mannetje betroffen hebben.
111) Fluiter
Op twee data
werd één Fluiter gezien in het berkenbosje op het kampterrein.
112) Tjiftjaf
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
113) Fitis
Nog algemener
dan de tjiftjaf.
114)
Goudhaantje
Algemeen in
naaldbossen, niet genoteerd.
115) Bonte
vliegenvanger
Eén alarmerend
vrouwtje werd net ten noorden van het kamp gehoord en een andere werd nabij de
boerderij van de kampboer gezien.
116) Kleine
vliegenvanger
Uiteindelijk
vonden we op onze laatste excursie, bij Lubiomiov, een zingend mannetje van de
Kleine vliegenvanger, een soort die we verwacht hadden in vrij grote aantallen
te zien vanwege de forse uitbreiding van het broedgebied naar westelijke
richting. Dit mannetje snapte er echter niet al te veel van, hij zat te zingen
in een smalle strook jonge naaldbosaanplant temidden van een oud, open loofbos
en juist dit laatste zou zijn voorkeursbiotoop moeten zijn.
117) Grauwe
vliegenvanger
Vrij algemeen
maar moeilijk te vinden vanwege zijn verscholen gedrag. Gezien in de meeste
bossen en ook in erfbeplantingen e.d. Mogelijk ging het hierbij voor een deel
om trekkers die vaak veel eenvoudiger te vinden zijn.
118)
Baardmannetje
Zowel juveniele
als adulte exemplaren van deze soort zijn bij de Karpervijver gezien in
aantallen die varieerden van één tot zes per dag.
119) Staartmees
Vrij algemeen,
niet genoteerd.
120) Glanskop
Niet erg
algemeen maar helaas niet genoteerd. De enige notitie betrof de veel grijzere
pluimage hier, vergeleken met de Nederlandse Glanskoppen.
121) Matkop
Vrijwel even
algemeen als de vorige soort en hetzelfde verhaal over de pluimage maar in dit
geval kan het worden verklaard omdat het hier om een andere ondersoort gaat nl.
Parus montanus borealis.
|
|
122) Kuifmees
Vrij zeldzaam
in de omgeving van Recz door het ontbreken van naaldbossen maar algemener in de
naaldbossen verder naar het oosten.
123) Pimpelmees
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
124) Zwarte
mees
Zeldzaam in de
directe omgeving van Recz maar talrijk in de bossen ten westen en ten noorden
van Recz. Vaak niet genoteerd.
125) Koolmees
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
126) Buidelmees
Vrij regelmatig
waargenomen in de wilgstruwelen ten noorden van de Karpervijver en plaatselijk
in rietvelden bij dezelfde plas. Daarnaast werden ook nog enkele overvliegende
vogels boven het kampterrein opgemerkt.
Bij de ingang
van de Karpervijver verbleef enkele dagen een groep van zes juvenielen, drie
werden er hier overvliegend gehoord en op de meeste dagen werden er enkele
gehoord en gezien nabij de zuidoever, niet toevallig net bij ons vaste uitkijkpunt.
127) Boomklever
In de meeste
oude bossen konden Boomklevers gevonden worden maar de aantallen vogels
varieerden sterk. Op enkele plaatsen, bijvoorbeeld het kampterrein, konden ook
groepjes Boomklevers in erg jonge bosjes gevonden worden. Betrof het hier jonge
vogels of zwervende exemplaren?
128)
Taigaboomkruiper
&
129)
Boomkruiper
Deze twee
soorten zijn samengevoegd omdat de determinatie voor de meeste kampgangers ondoenlijk
bleek. Er waren slechts twee of drie personen capabel genoeg om deze soorten te
onderscheiden op zowel zang als roep, de veiligste determinatiepunten. Het
beeld dat uit de zekere waarnemingen komt is het volgende: beide soorten komen
vrijwel in alle bosgebieden voor waarbij de Taigaboomkruiper wat algemener
lijkt dan zijn verwant.
130) Wielewaal
Net als een
hoop andere soorten is ook de Wielewaal voornamelijk nabij het kampterrein
gezien. Er verbleef hier in het elzenbosje een paartje met drie of meer
juvenielen.
131) Grauwe
Klauwier
Vrij algemeen
in de meeste biotopen die afgewisseld worden met kleine bosjes en houtwallen.
Bleek ook hier weer lastig te vinden maar toch nog vrij veel gezien. In de
meeste gevallen werden alleen mannetjes gemeld maar op beter bezochte plekken
ook vrouwtjes en juvenielen. Tussen het kampterrein en Recz verbleven minimaal
twee paartjes met juvenielen.
132) Klapekster
Minder algemeen
dan de voorgaande soort. De volgende waarnemingen weerden doorgegeven: één
broedgeval net ten noorden van de Karpervijver, één exemplaar op de vuilnisbelt
van Recz, één exemplaar ten zuidoosten van dezelfde vuilnisbelt en één
exemplaar 6 km ten noorden van Recz.
133) Spreeuw
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
134) Vlaamse
gaai
Algemeen, zelfs
in steden gezien.
135) Ekster
Algemeen, niet
genoteerd.
136)
Notenkraker
Eén Notenkraker
werd in het bosje bij de voormalige watermolen gehoord en gezien. Daarna zijn
nog vele geluidwaarnemingen gedaan. Daar niemand hier goed mee bekend was zijn
deze hier weggelaten.
137) Kauw
Algemeen, niet
genoteerd.
138) Roek
Plaatselijk
algemeen maar verder nauwelijks gezien. Er verbleven regelmatig enkele Roeken
bij de Karpervijver en er was een grote slaapplaats met tot 400 exemplaren in
het centrum van Choszczno.
139) Bonte
Kraai
Van de
tweelingsoort Zwarte en Bonte Kraai komt in Polen alleen één van de bonte
ondersoorten voor. De Bonte kraaien werden vooral nabij bebouwing gezien en
een enkel exemplaar op vuilnisbelten, vrijwel niet in landbouwgebieden. Dus
een heel andere situatie dan in Nederland.
140) Raaf
Het was wel
even wennen om te zien dat de Raaf veel talrijker was dan de Bonte kraai in het
agrarisch gebied. Vrijwel overal konden Raven worden gezien en (vooral)
gehoord. Op de akkers foerageerden ze vaak samen met Roeken en Kauwen, groepjes
schuimden de meeroevers af op zoek naar wat eetbaars of speelden zomaar wat
hoog in de lucht. Leuke aantallen waren 14 exemplaren boven het kampterrein, 16
exemplaren boven de Karpervijver en meer dan 30 ten zuiden van Chemnietz.
141) Huismus
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
142) Ringmus
Zeer algemeen,
niet genoteerd.
143) Vink
Algemeen, niet
genoteerd.
144) Goudvink
Vrij algemeen
in de meeste gemengde bossen of jonge aanplant.
145) Appelvink
Verrassend genoeg
nòg talrijker dan op de Veluwe, overal waar kersen in het bos stonden riepen
Appelvinken en in de rijkere bossen op goede bodems zaten overal groepen
Appelvinken. De grootste groep was 40 exemplaren over het kamp maar groepen van
20 tot 30 exemplaren konden op meerdere plaatsen bewonderd worden. Alleen langs
de Drawa konden we geen Appelvinken vinden.
146) Europese
kanarie
Vrij algemeen
in en aan de rand van dorpen en dan met name bij de grotere tuinen met
coniferen e.d. We hoorden aan de oostzijde van Recz bijvoorbeeld vijf zingende
exemplaren.
147) Groenling
Algemeen, niet
genoteerd.
148) Sijs
Enkele kleine
groepjes vlogen over het kampterrein en enkele losse exemplaren konden
gevonden worden in de grote naaldbossen bij Krepa. Het viel niet na te gaan of
de Sijs in Pommeren broedde, maar anders waren dit wel erg vroege trekkers.
149) Putter
Algemeen, niet
genoteerd.
150) Kneu
Algemeen en
maar zelden genoteerd. De paar aanwezige notities betreffen een grote
slaapplaats bij de Karpervijver in meldeveldjes. Er werden hier tot 400 Kneuen
geteld.
151) Roodmus
Een wisselend
aantal Roodmussen vergezelde de Kneuen op hun slaapplaats. Op de meeste dagen
konden er twee gevonden worden maar op de 8e waren er minstens vijf aanwezig.
Op een soort brandgang tussen de meren C. en E. voederde een schitterend adult
mannetje minstens één juveniel. Daarnaast waren er nog enkele andere
waarnemingen in de omgeving maar geen verder dan 10 km van Recz. Mogelijk
kunnen alle waarnemingen herleid worden op de slaapplaats.
152) Grauwe
gors
Eén Grauwe gors
zat regelmatig op een telefoondraad net ten noorden van de Karpervijver.
153) Geelgors
Hier nog steeds
zeer algemeen, niet genoteerd.
154) Rietgors
Algemeen op
geschikte plekken, niet genoteerd.2.3 De waarneming van een
Steppenvorkstaartplevier
2.3 De
waarneming van een Steppenvorkstaartplevier
2.3.1 Toedracht.3.1 Toedracht
Tijdens de
vogelexcursie voor beginners liepen we rondom het grote meer net ten oosten van
Recz op zoek naar steltlopers. Dit werd vereenvoudigd door de jagende bruine
kiekendieven, deze joegen namelijk regelmatig voor ons onzichtbare steltlopers
op uit de riet- en zeggevelden. tijdens een van die paniekvluchten ontdekte ik
om 14.50 een vreemde steltloper in een groep van zo'n 60 kievieten. Gedurende
zijn eerste snelle vleugelslagen kwam de vogel over als een 'superwitgatje' met
zijn witte stuit, donkere bovenzijde en lange vleugels maar toen ik even later
de vogel in normale vlucht en profiel zag herkende ik 'm meteen als
vorkstaartplevier spec. Onmiddellijk waarschuwde ik de rest van de excursie
(Mathijs Borst, Alma Leegwater en Waiwah Man) en ook zij vonden de vogel snel
en konden hem op een afstand van ± 30 meter langs zien vliegen. Daarbij konden
we wat extra kenmerken zien: geheel donkere ondervleugel zonder roodbruin,
donkere bovenvleugel vrijwel zonder contrast en het ontbreken van een witte
vleugelachterrand, kortom onze eerste steppenvorkstaartplevier! De 4e of 7e
voor Polen!
Na een tijdje
bijkomen en genieten won de routine en begonnen we met het maken van een
beschrijving van de inmiddels gelande vogel. Hij (of zij?) verbleef in een
groep kievieten op een modderveldje op zo'n 80 meter afstand. Na een eerste
vluchtige beschrijving verkasten we naar een betere plek omdat we op de eerste
de zon in onze ogen hadden en we de kleuren niet goed konden inschatten.
Na een stukje
lopen vonden we een betere plek: schaduw, zon van achteren en een grotere kans
op andere kampdeelnemers omdat we op het vaste uitkijkpunt zaten. Nadeel was
wel de grotere afstand tot de vogel maar dat werd snel opgelost, een
Schreeuwarend was zo lief om alles op te jagen en na een korte vlucht landde de
steppenvorkstaartplevier op ± 60 meter voor ons, over geluk gesproken! Snel
werden de telescopen en kijkers opnieuw gericht en werd begonnen met een nieuwe
en uitgebreidere beschrijving die hierna volgt. Ondertussen kwam nog een
excursie (Hans, Mathijs, Maarten en Eline) langs maar ja, daar hadden we ook
niets aan en een andere excursie nam niet eens de moeite om te kijken toen we
ze waarschuwden, ook enkele VWG'ers liepen aan de overkant maar deze hoorden of
zagen ons niet, helaas. Na zo'n 2½ uur kicken vloog de vogel samen met wat
kievieten in zuidoostelijke richting weg. Daarna is de vogel niet meer teruggevonden.
2.3.2 Gegevens waarneming.3.2 Gegevens waarneming
Soort: Steppenvorkstaartplevier (Glareola
nordmanni)
Aantal: 1
Sexe: onbekend
Kleed: adult
Plaats: Recz, provincie Pommeren in
west-Polen
Datum: 7-8-1992
Duur waarneming: van 14.50 tot 17.19 ® 2½ uur
Afstand: bij het maken van de beschrijving 30-80 meter, later
meer
Optiek: kijkers 8x40, 10 x 40 en 7 x 50
telescopen
20-60 x 60 twee maal
Weers- zonnig, licht
van achter later schuin van achter, geen
omstandigheden: bewolking, geen neerslag en vrijwel windstil.
Naar het eind van de middag licht steeds beter (minder scherp) wordend.
Waarnemers: Pierre van der Wielen, Alma Leegwater,
Matthijs Borst, Waiwah Man, Hans Inberg, Maarten Onneweer, Eline Kunst, Mathijs
de Boer
Eerdere ervaring Geen, maar Pierre had wel de enige
verwarringsbron, de 'gewone'
met de soort: vorkstaartplevier, vaker
gezien in het Middellandse zeegebied.
2.3.3 Beschrijving.3.3 Beschrijving
Bouw en
grootte: in de zit een uitgerekte, slanke indruk
veroorzaakt door de lage hoogte, lange vleugels en staart, langgerekt lichaam
en lange poten. Slagpennen een paar centimeter, dus duidelijk, buiten de staart
uitstekend. Lichaamslengte gelijk aan die van een kievit en hoogte 1/4 tot 1/3
minder dan kievit, dit vastgesteld in directe vergelijking. Lange geknikte
vleugels, staart diep gevorkt in vlucht maar als de staart gespreid werd bij
bijv. een zwenking in de jachtvlucht leek de staart vrijwel recht afgesneden
(cf zwarte wouw).
Bovendelen:
voorhoofd tot kruin minder afgerond dan de achterkop. Donkere, korte snavel,
kleur niet met zekerheid te bepalen door de afstand en fel zonlicht. Oog groot
en donker. In fel zonlicht donkere oogstreep zichtbaar zowel voor als achter
(kort) het oog, later op de middag in beter zonlicht alleen voor het oog
zichtbaar. Kop in goed licht een beetje lichter als de rug en vleugels. Rug
volledig donkerbruin zonder contrasten. Vleugeldekveren zelfde kleur als rug
maar slagpennen een tint donkerder, dit was alleen zichtbaar in het betere
licht op het einde van de middag, in de eerste 1½ uur zag ik geen contrast. Dit
in tegenstelling tot bij de vorkstaartplevier die een sterk contrast vertoont.
Brede witte stuit en begin staart en donkerbruine eindband aan staart.
Staartpunten leken in de vlucht ook wit maar bleken in de zit tijdens lopen of
opheffen van de vleugel ook donkerbruin te zijn.
Onderdelen:
Gele keelvlek die niet werd afgegrensd door een brede zwarte band.
Waarschijnlijk wijst dit, evenals de wat lichtere kop, op een beginnend
winterkleed? Onder de keelvlek begon een brede bruine borstband die valer werd
naar beneden toe. De flanken, buik en onderstaartdekveren waren wit. Poten
zwart of donkergrijs. Onderzijde vleugels en axillaries donkerbruin of zwart,
goed te zien in vlucht op ± 30 meter en in zit als de vogel zijn vleugels
optilde. Geen witte achterrand aan de
vleugel aanwezig.
Gedrag:
vanaf zijn ontdekking tot aan het vertrek volgde de vogel vrijwel de hele tijd
kievieten. Vloog altijd op als de kieviten opvlogen maar snelde al snel voor de
groep uit door zijn veel snellere vlucht. Bleef vaak lang in de lucht pas
landend met of na de laatste kievieten. Dit gedrag ging ons na een tijdje
verbazen omdat de kievieten behoorlijk agressief reageerden op de plevier. Ze
probeerden hem iedere keer uit de groep te pesten wat ze meestal ook lukte. De plevier liep dan een paar passen en
bleef daar dan. Enkele malen volgden de kievieten en vouwde de plevier Zijn
vleugels uit en hield deze open tot de kievieten vertrokken. Als dat zelfs niet
hielp vloog de vogel een stukje verder en zakte dan door zijn poten zodat het
gewoon een brok modder tussen de andere brokken was. Voor ons was de vogel dan
onmogelijk te vinden. Na een tijdje was de vogel het gedoe zat (?) en sperde
zijn bek volledig open, begon zijn kop omhoog en omlaag te bewegen
waarschijnlijk ondertussen roepend aan de pompende bewegingen te zien maar er
werd door ons geen geluid gehoord. Tweemaal vloog de vogel op om te gaan jagen,
dit gebeurde boven de meeroevers en rietvelden op vrij grote hoogte (15-30
meter). De vogel deed mij dan het meest denken aan een boomvalk of stern. De
vogel vloog samen met boeren- en huiszwaluw en was zeker zo'n goede vlieger met
dezelfde fantastische wenkingen en snelle hoogteverschillen. Na de laatste
jachtvlucht vloog de vogel om 17.19 samen met kievieten naar het zuid-oosten.
P.S. 1 Dezelfde
beschrijving maar dan in het Engels is naar de Poolse rariteiten commissie
verzonden voor beoordeling.
P.S. 2 In
dezelfde periode (tot in oktober) werden er in Europa nog 4 steppenvorkstaartplevieren
gezien dus we kunnen wel van een kleine invasie spreken.
Pierre van der
Wielen
|
3 Libellen3 Libellen |
3.1 Inleiding 3.1 Inleiding
De omgeving van
Recz heeft met zijn gevarieerd landschap veel te bieden. Onvervuilde beken,
visvijvers, bronnetjes, leemputten en moerassen wisselen elkaar af. Het is dan
ook niet verwonderlijk dat het gebied veel, vaak zeldzame libellen herbergt.
Jammer genoeg
is er op het zoka niet echt intensief naar libellen gekeken. We zullen dan ook
heel wat, vooral algemene, soorten gemist hebben. Waarschijnlijk komt dit
doordat alle waarnemingen 'bijvangsten' van algemene- of plantenexcursies zijn.
Het vangen en determineren van kleine juffersoorten kost dan al snel te veel
tijd. Een echte libellenexcursie is niet gehouden, hoewel dat gezien de
temperatuur zeer verkoelend zou zijn geweest. Toch geven de waarnemingen een
goed beeld van de grote afwisseling aan libellen in dit stukje Polen.
3.2 De vangplaatsen3.2 De vangplaatsen
Beschrijving
vangplaatsen:
1 Oosttak van de Drawa, ten zuiden
van Crepa
2 Visvijver-complex ten Noord-Oosten
van Recz, tevens kampplaats
3 Groot ven ten Noorden van Recz,
langs de weg Recz-Inskó
4 Vijver-complex ten zuiden van Recz,
aan de weg Recz-Choszczno
5 Westtak van de Drawa, ten oosten
van Drawno
6 Oud loofbos
Op slechts twee
plaatsen is intensief gevangen: bij de Drawa en bij de visvijvers vlak bij het
kamp. Zie de tabel op de volgende bladzijde voor de resultaten.
3.3 Bespreking vangsten3.3 Bespreking vangsten
Vooral boven de
oosttak van de Drawa blijken veel zeldzame libellen te vliegen. De Drawa is één
van de schoonste en onaangetaste rivierlopen van Polen. Het is een van de
laatste plaatsen in het land waar zalm kuit schiet. Drie excursies zijn per
trein naar dit unieke gebied vertrokken. Het dal met zijn essenbossen en
(verwaarloosde) hooilandjes en de snelstromende rivier die zich over een
zandbedding door het geheel slingert heeft veel mensen de mooiste excursie van
het zoka opgeleverd. De vele honderden Calopteryxen (beide soorten) die
onophoudelijk over je hoofd vlogen maakten het beeld compleet. Ook de
gaffellibel, kleine tanglibel en de beekrombout zijn soorten van onvervuilde,
zuurstofrijke, snelstromende beken met een zandbodem. Alle vijf de soorten zijn
in Nederland zeldzaam tot zeer zeldzaam en gaan nog steeds achteruit. Ook in
Polen, waar de watervervuiling nog steeds toeneemt, zullen deze soorten
achteruit gaan. Samengevat kun je zeggen dat de drawa zeer belangrijk voor
libellen is en aan vrijwel alle soorten van de 'libellengemeenschap van
onaangetaste rivierbovenlopen' plaats biedt. De status van Nationaal Park die
dit gebied in 1990 kreeg zal er hopelijk voor zorgen dat dit zo blijft.
In de
visvijvers rond de kampplaats zelf waren in augustus 1992 niet alleen veel
zwemmende en dopende jeugdbondertjes te vinden maar ook enkele zonderlinge
figuren die zich gewapend met net en tabel zoveel mogelijk aan die andere
jeugdbonders onttrokken. Hoewel sommige kampdeelnemers het niet helemaal konden
bevatten ("je bent toch op kamp om uit te rusten van het zomerfestival, en
niet om achter veel te snelle of stekende beesten aan te rennen") waren
zij veel gelukkiger met een Sympetrum Fonscolombii dan met een video-camera. En
terecht, want de libellen op het kampterrein zijn zeer de moeite waard. Door
het ontbreken van stromend water zijn de hier gevangen soorten heel anders dan
langs de Drawa. Het stilstaand water met veel oever- en waterbegroeiing leverde
maar liefst 6 sympetrum-soorten op. De zwervende heidelibel en de
bandheidelibel zijn in Nederland (zeer) zeldzame immigranten, die alleen in
warme zomers wat meer voorkomen. De overige libellen komen ook hier algemeen
voor boven grotere wateren. Toch kom je zoveel soorten vrijwel nooit boven één
plas tegen. Het is wel duidelijk dat de vijvers in hun huidige, extensieve vorm
een grote betekenis voor libellen hebben.
3.1 Tabel vangsten libellen
|
Latijnse
naam - Nederlandse naam¯ vangplek® |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
Calopteryx virgo -
bosbeekjuffer |
> |
|
|
|
|
|
|
Calopteryx splendens
- weidebeekjuffer |
> |
|
|
|
|
|
|
Sympecma fusca -
bruine winterjuffer |
|
|
|
|
|
1 |
|
Lestes sponsa -
gewone pantserjuffer |
|
x |
|
|
|
|
|
Platycnemis pennipes
- breedscheenjuffer |
x |
|
|
x |
x |
|
|
Ischnura elegans -
lantaarntje |
|
x |
|
|
|
|
|
Enallagma
cyathigerum - watersnuffel |
x |
> |
|
|
|
|
|
Aeshna cyanea -
blauwe glazenmaker |
x |
x |
|
|
|
|
|
Aeshna grandis -
bruine glazenmaker |
x |
x |
x |
|
|
|
|
Gomphus
vulgatissimus - beekrombout |
x |
|
|
|
|
|
|
Ophiogomphus cecilia
- gaffellibel |
10 |
|
|
|
|
|
|
Onychogomphus
forcipatus - kleine tanglibel |
1 |
|
|
|
|
|
|
Somatochlora
metallica - metaalglanslibel |
x |
x |
|
|
|
|
|
Libellula fulva -
bruine korenbout |
1 |
|
|
|
|
|
|
Orthetrum
cancellatum - gewone oeverlibel |
|
x |
|
|
|
|
|
Sympetrum danae -
zwarte heidelibel |
|
x |
|
|
|
|
|
Sympetrum flaveolum
- geelvlekheidelibel |
x |
x |
|
|
|
|
|
Sympetrum
fonscolombii - zwervende heidelibel |
|
x |
|
|
|
|
|
Sympetrum
pedemontanum - bandheidelibel |
x |
x |
|
|
|
|
|
Sympetrum sanguineum
- bloedrode heidelibel |
|
x |
x |
|
|
|
|
Sympetrum vulgatum -
steenrode heidelibel |
x |
x |
x |
|
|
|
De overige
vangstplekken hebben aanzienlijk minder waarnemingen opgeleverd. Dit komt
vooral door de (zeer) korte tijd dat hier gevangen is. De wateren ten zuiden en
noorden van Recz zien er op het eerste gezicht geschikt uit en zullen dan ook
heel wat soorten libellen bergen. Dit geldt niet voor de west-tak van de Drawa
bij Drawno. De rivier was hier gekanaliseerd en enigszins vervuild. We hebben
hier dan ook maar één soort gevangen. De breedscheenjuffer leeft overigens wel in
zuurstofrijk, niet al te vervuild water. Blijkbaar is niet de waterkwaliteit,
maar de kanalisatie de beperkende factor voor de andere beeksoorten.
|
|
Opvallend is de
vangst van een bruine winterjuffer in een oud loofbos. Zoals zijn naam al
aangeeft begint deze soort in februari met vliegen. Eind juli start een nieuwe
vliegperiode, die tot december kan doorlopen. Winterjuffers overwinteren als
libel (dus niet als larf), de oorzaak van hun vreemde vliegtijden. Wat deze
winterjuffer midden in een loofbos, ver weg van water en open ruimtes deed zal
altijd wel een vraag blijven. In Nederland is Sympecma fusca een zeldzame en
achteruitgaande soort van vennen en laagveen, die soms boven heidepaadjes en
tussen bosjes vliegt. Waarnemingen van exemplaren die in loofbossen terecht
zijn gekomen worden echter niet vermeld.
Zoals je hebt
kunnen lezen zijn er heel wat in Nederland zeldzame soorten gevangen. Van de 21
gevangen soorten zijn er drie zeer zeldzaam tot uitgestorven en 5 zeldzaam. Je
zou kunnen zeggen dat het huidige Pommeren het Nederland van voor de
ruilverkaveling, watervervuiling, ontginning en landbouwmechanisatie is. Laten
we hopen dat de Polen in staat zijn om hun omschakeling naar het moderne
kapitalisme zonder enorme aanslagen op de natuur te laten verlopen!
Tot slot:
bedankt Annemieke, Hans, Eline en David voor de gegevens.
Martijn de Jong
|
4 Insektenn
|
4.1 Inleiding
Dit
hoofdstuk bestaat uit de lijsten van insekten, waargenomen te Recz (R) op 30-7,
1,3,4,6 en 11-8, Netkovo (N) op 1 en 2-8, Krepa (K) op 5-8 en Lubionow (L), op
9 en 10-8.
4.2 Dagvlinderss
Geelsprietdikkopje
Groot
dikkopje
Koninginnepage
Citroentje
Gele
luzernevlinder
Oranje
luzernevlinder
Klein
koolwitje
Groot
koolwitje
Klein
geaderd witje
Boswitje
Resedawitje
Gehakkelde
aurelia
Atalanta
Landkaartje
Dagpauwoog
Kleine
vos
Distelvlinder
Rouwmantel
Kleine
parelmoervlinder
Grote
parelmoervlinder
Keizersmantel
Duinparelmoervlinder
Adippevlinder
Zilver
vlek
Zilver
maan
Pallas
parelmoervlinder
Kleine
vuurvlinder
Violette
parelmoervlinder
Bruine
vuurvlinder
Grote
vuurvlinder
Morgenrood
Icarusblauwtje
Bruin
blauwtje
Eikepage
Hooibeestje
Bont
zandoogje
Koevinkje
Bruin
zandoogje
Argusvlinder
Dambordje
|
Kleine
vos Argusvlinder |
|||||
|
Groot
dikkopje |
|||||
| Koninginnepage | |||||
|
Geelsprietdikkopje
Citroentje Gele
luzernevlinder Oranje
luzernevlinder Klein
koolwitje Groot
koolwitje Klein
geaderd witje Boswitje Resedawitje Gehakkelde
aurelia Atalanta Landkaartje |
|||||
R
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
N
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
K
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
L
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
4.3 Zweefvliegen
Chrysogaster
solstialis
Chrysotoxum
bicinctum
Chrysotoxum
cautum
Chrysotoxum
festivum
Cheilosia
carbonaria
Cheilosia
impressa
Cheilosia
mutablis
Cheilosia
pagana
Didea
alneti
Didea
intermedia
Epistrophe
grossulariae
Epistrophe
melanostoma
Epistrophe
melanostomoides
Episyrphus
balteatus
Eristalis
abusivus
Eristalis
arbustorum
Eristalis
horticola
Eristalis
intricarius
Eristalis
nemorum
Eristalis
pertinax
Eristalis
rupium
Eristalis
sepulchralis
Eristalis
tenax
Helophilus
hybridus
Helophilus
pendulus
Helophilus
trivitatus
Leuzona
lucorum
Melangyna
umbellatatum
Metasyrphus
corrolae
Metasyrphus
luniger
Myatropa
florea
Platycheirus
albimanus
Platycheirus
fulviventris
Platycheirus
peltatus
Pyrophaena
rosarum
Scaeva
pyastri
Scaeva
selenetica
Sericomyia
silenitus
Sphaerophoria
scripta
Syritta
pipiens
Syrphus
ribessi
Syrphus
vitripennis
Volucella
pellucens
Volucella
zonaria
Xylota
coruleiventris
Xylota
meigeniana
Xylota
nemorum
Xylota
segnis
R
x
x
x
x