VoorwoordVoorwoordVoorwoord

 

Zomer 1992 heeft een groep van 48 leden van de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie (Nederland) in Polen een zomerkamp gehouden. Dit boekwerkje is een verslag van de biologische activiteiten op dat kamp, nu al weer bijna drie jaar geleden.

Dit verslag heeft dan ook al een interessant en bloemrijk verleden.

In de nazomer van 1992 is een begin gemaakt met de verslaglegging van het zoogdierenonderzoek dat heeft plaatsgevonden op dit kamp. Oorspronkelijk zou dit verslag namelijk verschijnen in de vorm van een special van de Bosmuis, het biologisch blad van de Zoogdierenwerkgroep (ZWG) van de bond. Op het Kerstkongres 1992 werd verzocht of ook waarnemingen en verslagen van andere natuurstudie-onderwerpen geplaatst konden worden. De ZWG had hier geen bezwaar tegen. In de loop van 1993 kwamen langzaam steeds meer verslagen en soortenlijsten binnen. Ook begin 1995 kwam nog een verslag binnen. De verslagen over andere onderwerpen bleken echter zo uitgebreid, dat het niet passend zou zijn om het verslag een Bosmuis te noemen: het is 'gewoon' het Polen verslag geworden. Hoe mooi het ook is dat er zo veel verslagen kwamen, helaas leverden alle ijverige auteurs hun kopij handgeschreven of getypt in, zodat alles eerst ingetypt moest worden om op de computer verder te kunnen worden verwerkt. Dat overtikken van andermans (onleesbare) handschriften geen leuke maar wel een tijdrovende bezigheid is hoef ik waarschijnlijk niemand te vertellen. De toenmalige redacteur heeft helaas weinig tijd aan het Polen-verslag kunnen besteden. In de loop van 1994 heb ik zijn taak officieus overgenomen en al een groot deel van het typewerk verricht. Als officieel ZWG-redacteur maak ik nu af waar ik toen aan begonnen ben, zodat ik mijn aandacht vanaf nu weer volledig op het werkgroepsblad kan richten.

Hierbij bedank ik iedereen die aan dit Polen-verslag heeft meegewerkt: de auteurs, die zo netjes mogelijk hebben geschreven, Rene Kreeftenberg die een deel van het type-werk heeft gedaan en Martijn de Vries die met de kaarten en illustraties heeft geholpen. En diegenen die uiteindelijk de vermenigvuldiging en verspreiding van dit verslag op zich zullen nemen.

Hopelijk brengt dit verslag goede herinneringen boven bij de toenmalige Polen-gangers en geeft anderen inspiratie Polen ook eens aan te doen. Ik wens de lezer veel leesgenot.

 

Riemke Bitter

Deventer, mei 1995

 

InhoudsopgaveInhoudsopgaveInhoudsopgave

Error! Reference source not found.

 

InleidingInleidingInleiding

 

Dit verslag is een bundeling van een aantal verslagen, geschreven door diverse deelnemers aan het zomerkamp van de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie (Nederland) in 1992 in Recz, Polen. Een waarschuwing vooraf voor de lezer is zeker niet overbodig: door verschillen in schrijfstijl van de auteurs zal niet elk deelverslag even gemakkelijk lezen. Soms is er ook niet veel te lezen: sommige verslagen zijn nauwelijks meer dan soortenlijsten. De interesse van de deelnemers ging kennelijk ook vooral uit naar beesten en beestjes; aan planten wordt weinig aandacht besteed.

Het eerste hoofdstuk is een algemene beschrijving van de omgeving en de bezochte excursiegebiedjes. Hoofdstuk 2 is een vrij uitgebreid verslag van de vogelwaarnemingen, met een korte bespreking van elk van de 154 waargenomen soorten en een meer gedetailleerd verslag van een bijzondere waarneming, de steppenvorkstaartplevier. Hoofdstukken 3,4 en 5 zijn enkele meer beknopte verslagen over libellen, overige 'land'insecten en een hibi-excursie. Hoofdstuk 6 is weer wat uitgebreider en bespreekt de waargenomen amfibieën en reptielen. Het laatste, langste en meest ingewikkelde deel van dit verslag is Hoofdstuk 7, een zeer uitgebreid verslag over zoogdieren. Dit deel is, voor het overzicht, uitgesplitst in losse waarnemingen, vleermuizen en vallenonderzoek naar muizen. In de beschrijving van het vallen-onderzoek naar muizen wordt ook op vegetatie-kenmerken ingegaan, de enige keer in dit verslag dat de planten aandacht krijgen. In het zoogdierenhoofdstuk worden ook nog enkele gedachten aan de (beschermings)waarde van de natuur van Recz gewijd.

 

 

1 Ligging en gebiedsbeschrijving1 Ligging en gebiedsbeschrijving1 Ligging en gebiedsbeschrijving

 

Het Polen-kamp werd gehouden van 29 juli tot 12 augustus 1992 op een Karperkwekerij ten zuidoosten van Recz. Recz ligt in de provincie Pommeren aan de grote weg Szczecin - Bydgoszcz ongeveer 35 km ten oosten van Stargard (zie kaart 1.1).

 

1.1 Ontstaansgeschiedenis1.1 Ontstaansgeschiedenis1.1 Ontstaansgeschiedenis

De naam Pommeren komt van het woord Pomorze dat letterlijk 'langs de zee' betekent, in dit geval de Oostzee. Pommeren bestaat uit een gordel van laagvlakten en het hoger gelegen Pojezienze Pomorskie, het Poolse grote meren gebied. Dit meren gebied is weer onder te verdelen in verschillende deelgebieden en het kamp werd gehouden in het gedeelte met de hoogste concentratie meren.

De eerder genoemde laagvlakten worden van elkaar gescheiden door, in de omgeving van het kamp vrij lage, stuwwallen met een hoogte variërend van 92 tot 180 meter bij Inskó. Dit kan omschreven worden als een zwak golvend landschap met wat heuvels ongeveer als Midden-Limburg. Toch is er een groot verschil tussen de Nederlandse en de poolse situatie, de Poolse stuwwallen zijn in de laatste ijstijd gevormd en de Nederlandse in de voorlaatste. Hierdoor zijn veel gevolgen van de ijstijd in het veld beter te herkennen, de stuwwallen met hun vooruitgeschoven morenen afgewisseld met smeltwatervlaktes. Deze waren met name ter hoogte van Suliborz nog goed te zien en natuurlijk ook in het Inskó landschapspark. Een ander resultaat zijn de vele meren; door de stuwwallen afgedamde rivieren. In een oud stuwwallengebied zijn de wallen al lang door een deel van de rivieren doorbroken. Een ander voor ons belangrijk gevolg is de geringe erosie omdat ze nog maar relatief kort aan de elementen blootgesteld zijn. Hier kan men nog 'ongerepte' hellingbossen vinden met vele bronnetjes en stroompjes.

 

1.2 Hoofd-excursiegebieden1.2 Hoofd-excursiegebieden1.2 Hoofd-excursiegebieden

Het kampterrein, tevens het belangrijkste excursiegebied, lag aan het begin van een 2 km brede en zo'n 3 km lange vallei. De vallei zelf was vrij natuurlijk met uitzondering van enkele graanakkers, extensief gebruikte hooilanden en een deel van een uitgestrekt militair oefenterrein. Het grootste deel van de hellingen is bebost met vochtige loofbossen. deze zijn zo vochtig door de vele bomen die her en der in de bossen ontspringen. Ze gaan verder als stroompjes die uitkomen in enkele van de visvijvers en andere voeden doorstroomvenen met hun ruige randvegetatie voor ze op hun beurt weer uitmonden in beken.

De bossen bestaan voor het grootste deel uit elzen, berken, essen en andere vochtminnende loofbomen. Dit zijn over het algemeen vrij lage bomen die zeer dichte bossen kunnen vormen, hierdoor waren de bossen plaatselijk vrij eenvormig maar zodra er een open plek o.i.d. gevonden werd was meteen een grote variatie aan andere struiken en planten te vinden met bijvoorbeeld veel moerasooievaarsbek, moesdistel en vele zeggesoorten. Rijk aan planten waren ook de oeverzones van stroompjes en beken met beide soorten goudveil, eenbes en dotters. De stroompjes en beken zelf waren opvallend arm aan planten maar de meren die ze voedden waren vaak wel weer rijk begroeid met veel riet, lisdodde en gele lis vegetatie en in het water fonteinkruiden en veenworteltapijten. Dit zijn over het algemeen planten van wat voedselrijker milieus, mogelijk veroorzaakt door het voederen voor de viskwekerij?

Naast viskwekerij werden deze meren nergens voor gebruikt al was het tijdens het kamp vaak erg luidruchtig bij één van de meren en werden daar vele kampdeelnemers in verregaande staat van ontkleding aangetroffen. Vast om de onderwaterflora en - fauna te bestuderen...

Buiten de vallei, richting Recz, lag een uitgebreid zwak golvend landbouwgebied met enkele meer of minder grote viskweekvijvers, enkele kleine bosjes en een grote, al enkele jaren braakliggende akker.

Landbouw kun je hier lezen als graanteelt. Pommeren is (was) de graanschuur van Polen en tot recent ook van het G.O.S.

De graanakkers zijn veel armer aan onkruiden dan we gehoopt hadden maar toch nog veel rijker dan in Nederland. Enkele leuke soorten waren Ridderspoor, Klokjes en Wilde Nigelle.

De meeste visvijvers waren te vergelijken met de al eerder genoemde meren al hadden ze wel een gevarieerder oever-begroeiing met els-wilgenstruweel (buidelmeer!). Een uitzondering was de grootste vijver, door ons de Karpervijver genoemd. Deze was aan drie zijden omringd door een hoge kade en liep aan de andere zijde uit tegen een heuvel, ons uitkijkpunt. Aan de binnenzijde van de kade en plaatselijk in het moerassige stuk onder aan de heuvel waren rietvelden te vinden die erg vogelrijk waren. In de vijver lagen ook enkele rieteilanden die door de grote droogte in '92 (van maart tot minstens in augustus geen regen en tot 35° C) omringd werden door grote moddervlaktes. Geen wonder dat deze vijver ons iedere dag weer verraste met leuke vogels.

De bosjes waren niet echt bijzonder al is het feit dat in een ervan wat menselijke invloed in de vorm van naaldbomen aanwezig was het vermelden waard.

De braakliggende akker was zeer interessant. Deze was na de omwenteling door onze kampboer aangekocht en deze beste man had er al 3 of 4 jaar niets meer op verbouwd zodat er nu een zeer fraaie steppe-achtige vegetatie a la Hongarije of Midden-Spanje te vinden was. Ook enkele zeer zeldzame en typerende soorten vonden het steppe-achtig genoeg en showden zich aan ons: Strobloem, wilde Averuit, wilde Nigelle en de fraaie vedergrassen. Dit zijn enkele soorten die nog te herkennen waren, door het zeer extreme klimaat op zo'n steppe/akker verdorren de meeste planten al in het begin van de zomer. Insekten en andere dieren, m.u.v. bijvoorbeeld zandhagedissen, worden hier dan ook compleet weggeschroeid in de zomer of maken alleen gebruik van het gebied bij bewolkt weer of 's morgens vroeg. De enkele specialisten die het hier dan ook in de zomer volhouden waren voor ons allemaal superzeldzame soorten.

 

1.3 Overige excursiegebieden1.3 Overige excursiegebieden1.3 Overige excursiegebieden

- Bossen en meren gebied ten westen van Recz. Hier lagen uitgestrekte produktiebossen met vooral veel dennen en sparren. In het eerste deel van het gebied lagen ook enkele meren en hooilanden. Er zijn hier maar weinig excursies naar toe geweest maar deze leverden toch hele leuke waarnemingen op: broedende visarenden, kraanvogels en regelmatig ringslangen. bij een eventueel volgend bezoek is het aan te raden dit gebied beter te onderzoeken met de nadruk op de eerste 3-5 km vanaf Recz.

- Veen bij Netkowo. Dit gebied ligt ong. 1,5 km ten zuidoosten van Netkowo wat weer 4 km ten oosten van Recz ligt. Het is een voormalig veen dat al lange tijd geleden afgegraven is en dit jaar een sterk verdroogde aanblik bood. Het is een zeer rijk gebied met leuke vogels als Kraanvogel, Rode wouw en Wielewaal, veel vossen, ruige planten zoals bijv. Engelse alant maar het is vooral van belang voor insekten. In de jonge berkenbosjes die op de vochtigere veenrestanten zijn aangeplant waren vele soorten zweefvliegen en andere diptera te vangen maar het is vooral goed voor vlinders: koninginnepage, minstens zes soorten parelmoervlinders (waaronder de Pallas parelmoer ofwel de Litauwse Keizersmantel) en rouwmantels. Een erg belangrijk gebied dat in mijn ogen gisteren al natuurgebied had moeten zijn.

- Rivierdal van de Drawno ten zuiden van Drawno. Dit gebied is een van de beroemdste landschapsreservaten van Polen. De rivier wordt hier begeleid door een veelvoud aan bossen van allerlei types: bronnetjesbossen, broekbossen, een soort ooibos met open stukken, veel populieren en weinig ondergroei, en op de hellingen een mengsel van eiken, beuken, haagbeuken en iepen. Kortom een zeer rijk en afwisselend gebied maar het bleek in de zomer voor flora en fauna niet echt interessant. De planten waren grotendeels uitgebloeid, de vogels zongen niet meer en de otters en bevers waren allang verstoord door andere dagjesmensen voor wij eens kwamen aankakken na een kolere eind fietsen. Beter geschikt voor een april/mei bezoek.

- Beekdal ten zuiden van Krepa. Eén van de mooiste gebieden die we op het kamp gezien hebben. Het ligt ± 40 km ten OZO van Recz aan de spoorlijn naar Walcz. Vanaf het station is het eerst een stuk door saaie grove den aanplant maar deze wordt al snel vergeten na aankomst bij het stuwmeer. Dit meer is het eindpunt van een ongelooflijk mooie beek met zeer afwisselende vegetatietypen aan zijn oevers variërend van vochtig elzenbroekbos met kwelbronnetjes tot heischraal grasland met als bosvormer de jeneverbes met daartussenin andere bossen, moerassen en graslanden. Door deze veelvoud aan biotopen is het gebied natuurlijk ook zeer rijk aan flora en fauna. Enkele blikvangers waren Parnassia en Paardehaarzegge en bij de beestjes Grote vuurvlinder, 'gewone' en kleine tanglibelle, bever enz. enz. (en voor de insiders niet te vergeten wilde zwijnen).

Mogelijk vergeet ik nu enkele goede gebieden maar de hiervoor genoemde waren wel de betere. Natuurlijk is in zo'n oostelijk gebied voor ons veel te zien en lijkt ieder berm, sloot of bosje wel iets leuks op te leveren met nog veel leukere dingen in de natuurgebieden die iedereen dan weer gaat bezoeken na tips van eerdere excursies. Misschien is het beter om op een volgend kamp met een inventarisatie-doelstelling een betere verdeling van de te bezoeken gebieden te maken zodat er van meer gebieden wat bekend raakt en niet zoals nu van slechts enkele zeer goede gebieden. Op die manier kunnen we dan misschien volledige gegevens leveren. Een andere, laatste aanbeveling is het maken van de gebiedsbeschrijving op kamp zodat de BL niet 6 maanden later avonden moet ploeteren en vechten met zijn geheugen.

 

 

Pierre van der Wielen

Kaart 1.1 Ligging Recz in Polen

Kaart 1.2 Omgeving Recz en kampterrein

 

2 Vogels2 Vogels2 Vogels

 

2.1 Inleiding en methode2.1 Inleiding en methode2.1 Inleiding en methode

"Waarom ga je als vogelaar nu in godsnaam naar het westen van Polen als 5-600 km verderop in Oost-Polen enkele van de beste vogelgebieden van Europa liggen?" Deze vraag zal aan meerdere vogelaars die naar dit kamp gingen gesteld zijn. Mijn reden hiervoor was vooral nieuwsgierigheid of het westen echt zo matig is of het oosten zo overschat wordt of dat, zoals zo vaak, de waarheid in het midden ligt.

Nu, na afloop van het kamp, kan de balans opgemaakt worden. Het zal wel terecht zijn dat het oosten zoveel bezocht wordt maar het is oerstom om op weg daar naar toe het westen volledig over te slaan zoals de meeste vogelaars doen. Het gebied rondom Recz heeft voor ons westerlingen al vele leuke oostelijke soorten te bieden en de meeste zijn in goede aantallen aanwezig.

Het door ons bezochte gebied rondom Recz en dan met name het (vis)vijvercomplex direct ten oosten hiervan is enorm vogelrijk en relatief klein. In dit gebied van slechts 2 bij 1 á 1,5 km troffen wij, in dit vrij matige seizoen, maar liefst 154 soorten aan waaronder o.a. alle 5 de Europese Futen, 3 soorten Arenden onder de 14 roofvogelsoorten, 6 soorten Spechten en goede bossoorten als Grauwe Fitis en Kleine Vliegenvanger.

Geen wonder dat er veel aandacht aan vogels besteed is. Iedere dag waren er minimaal 1 en maximaal 3 op vogels gerichte excursies en op enkele andere excursies werd ook wel eens een vogel genoteerd. Deze waarnemingen verdwenen dit keer niet in de roemruchte stoffige notitieboekjes maar werden ook nog eens op excursieformulieren gezet. Anderen gaven er de voorkeur aan om hun waarnemingen 's avonds aan de auteur dezes te dicteren en weer anderen leverden hun gegevens na afloop van het kamp in. In totaal werden zo van 8-10 mensen waarnemingen ontvangen.

Na afloop van het kamp bleken toch wat dingen misgegaan te zijn met dit systeem. Sommige mensen noteerden alleen de soort en niet de aantallen, sexe of andere gegevens, soms ontbraken er gegevens over de determinatie, stonden er soorten op de kamplijst die niet op de excursieformulieren terug te vinden waren maar het vervelendst was de geringe animo om de algemene en minder algemene soorten te noteren. Van meerdere toch wel leuke soorten in dit deel van Polen zoals bijvoorbeeld Tortelduif, Grote Lijster etc. kon zo geen goed beeld van het voorkomen gevormd worden.

Maar ondanks dit alles is er toch een flinke prestatie geleverd, vrijwel alle van de vermoedelijk in het gebied verblijvende soorten zijn gevonden met enkele uitzonderingen (Gekraagde roodstaart!) en daarnaast werden er nog enkele extraatjes in de vorm van Poelsnip en Steppenvorkstaartplevier gevonden. Al met al, een op vogelgebied zeer geslaagd kamp in een fantastisch gebied!

Kaart 2.1 Positie vijvers en uitkijkpunt

2.2 Soortbespreking2.2 Soortbespreking2.2 Soortbespreking

1) Dodaars

Vrij algemeen op geschikte plekken die vreemd genoeg alleen in de omgeving van het kampterrein bleken te liggen. Eén paar met twee juvenielen zat op plas C (zie kaart), minstens twee paartjes met respectievelijk vier en zes juvenielen zaten op plas A, vergezeld van nog een paar vogels en als laatste enkele losse exemplaren op de Karpervijver. Het was niet mogelijk om daar het aantal paartjes te bepalen.

2) Fuut

Algemeen op de meeste grote meren in de buurt van Recz. Juvenielen zijn alleen gezien op de Karpervijver, minstens twee paar en op de grote plas ten zuiden van Chemnietz, één paar.

3) Roodhalsfuut

Gedurende het hele kamp verbleef een adult met twee juvenielen op plas F. Behalve deze eenvoudig te vinden beauties verbleven er nog twee adulten op de plas ten zuiden van Chemnietz.

4) Kuifduiker

Een volledig winterkleed adult werd op 2 augustus ontdekt op plas A en werd toen vergezeld door twee juveniele fuutachtigen. Helaas konden deze juvenielen op latere data niet worden teruggevonden, helaas omdat het dan het derde Poolse broedgeval zou hebben betroffen. Eerdere broedgevallen vonden in 1972 en 1985 plaats. De adult is het hele kamp aanwezig gebleven.

5) Geoorde Fuut

Alleen waargenomen op de Karpervijver en mogelijk twee juvenielen ( zie Kuifduiker) op plas A. Een telling op 2 augustus leverde een minimum aantal van 28 exemplaren op. Het aantal paartjes was lastiger te bepalen; adulte vogels verlaten de broedplaats zodra de jongen voor zichzelf kunnen zorgen en net in deze tijd ruien de adulten waardoor ze moeilijk van de juvenielen te onderscheiden zijn. Een schatting op basis van de getelde aantallen en ervaring op de Brabantse broedplaatsen bedraagt zo'n negen paartjes maar het werkelijke aantal kan daar flink boven liggen.

6) Aalscholver

Geregeld gezien maar de meeste waarnemingen hebben betrekking op hetzelfde groepje van vijf die geregeld op de Karpervijver kwamen vissen en mogelijk ook slapen. Voor zover nagegaan kon worden was er maar één andere waarneming n.l.twee vogels op het meer bij Chemnietz.

7) Roerdomp

Twee of drie keer is er een roerdomp gehoord in dezelfde hoek van de Karpervijver, zodat er wel van uitgegaan mag worden dat het één vogel betreft.

8) Blauwe reiger

Vrij algemeen in de nabijheid van plassen, beken en moerassen en dus ook vaak gezien. Het maximum aantal in de aangeleverde notities was zes bij de Karpervijver.

9) Ooievaar

Zoals iedereen die op het kamp was kan beamen is de Ooievaar in Polen nog steeds een algemene broedvogel. Er werden er dan ook dagelijks gezien in sterk wisselende aantallen., met een maximum van 20 á 25 exemplaren bij Chemnietz. Naar het eind van het kamp viel meerdere mensen de toenemende groepsgrootte op, duidelijk het begin van de herfsttrek. In Recz vonden we drie bezette nesten en in Lubinow op een boerderij ook drie en dan nog her en der verspreid een nest.

10) Zwarte Ooievaar

Deze fraaie vogel is vier keer gezien, op 2 augustus één over Recz, op de vijfde één, op de 9e drie en ten slotte op de 11e weer één over of bij de kampplaats. N.B. er zijn in Polen zo'n 800-900 paartjes!

11) Knobbelzwaan

Slechts twee waarnemingen van deze in Polen zeer algemene soort. Eén op een klein meer twee kilometer ten westen van Recz en de ander zat op het grote meer ten zuiden van Chemnietz.

12) Grauwe gans

Op 3 augustus werden er drie op de Karpervijver gezien.

13) Wilde eend

Algemeen tot zeer algemeen op alle natte plaatsen met als (rare) uitzondering de grotere meren. Mogelijk wordt daar intensief gejaagd of zo.

14) Wintertaling

Alleen op de Karpervijver gezien met een maximum van negen exemplaren.

15) Zomertaling

Er verbleef één zomertaling het gehele kamp op de Karpervijver en hetzelfde (?) exemplaar verblijdde op de laatste dag meer F met een kort bezoek. Gezien de determinatieproblemen bij talingen in de ruitijd is dit natuurlijk een onderschatting van het werkelijke voorkomen van deze in Polen niet zeldzame soort.

16) Slobeend

Wel waargenomen maar de waarnemer was zo slim om er verder niets bij te zetten over plaats, datum of aantal.

17) Kuifeend

Vrij algemeen op dichtbegroeide plassen waar groepen tot 25 exemplaren konden worden gezien. Er was een mooie tweedeling te zien, op de kleinere meren verbleven vooral vrouwtjes en juvenielen en op de grotere plassen voornamelijk ruiende mannetjes. In een zo'n groep op de Karpervijver verbleef een tijdje een afwijkend mannetje met een grijszwarte i.p.v. zwarte rug.

18) Tafeleend

Minder talrijk dan de Kuifeend, alleen gezien op de plassen bij het kamp (max. vier exemplaren) en op de Karpervijver. Op beide plaatsen was gebroed. Volgens de Poolse avifauna is dit de algemeenste duikeend.

19) Witoogeend

De zeldzaamste eend op kamp, op plas C verbleven het hele kamp een mannetje eclipskleed en een vrouwtje of juveniel. Mogelijk waren er meer aanwezig maar hoe langer je de Tafeleenden die er bij zaten bekeek hoe meer vogels met enkele kenmerken van beide soorten gevonden werden.

20) Brilduiker

Twee vrouwtjes zwierven rond het kampterrein en werden op vrijwel iedere plas gezien. Een groep van meer dan 25 stuks (man/vrouw/juveniel) werd nabij Tuczno gezien.

21) Zeearend

Deze grote en indrukwekkende roofvogel werd iedere dag wel enkele keren gezien in het gebied tussen het kampterrein en Recz. Het was mogelijk om minstens vier individuen te onderscheiden: twee adulten die meerder malen samen gezien werden, een tweede of derde jaars vogel en minstens één eerstejaars vogel. De adulten en de eerstejaars vogel werden regelmatig in elkaars gezelschap gezien, de reden waarom we denken dat er in de directe omgeving van het kamp een broedgeval heeft plaatsgevonden. Naast (?) die twee adulten sliep er ook nog een adult bij plas A zodat er mogelijk zelfs drie adulten aanwezig waren.

De vogels werden meestal hoog boven de plassen cirkelen gezien maar af en toe hadden we het geluk dat ze in de bomen rond de Karpervijver zaten te niksen. Puur genieten.

22) Schreeuwarend

Nogal onverwacht zagen we op de 5e tijdens het koken opeens een mooie, adulte schreeuwarend over het kampterrein zeilen. Het begin van de dagelijkse waarnemingen vanaf toen:

- 6 augustus: één exemplaar ten westen van Recz

- 7 augustus: twee adulten jagend bij de Karpervijver

- 8 augustus: één exemplaar over het kamp

- 9 augustus: twee adulten en later nog een juveniel bij de Karpervijver en twee adulten boven het kampterrein baantjes trekkend

- 10 augustus: één juveniel bij de Karpervijver

- 11 augustus: één juveniel bij de Karpervijver

We vermoeden dat er drie of vier Schreeuwarenden nabij het kampterrein aanwezig waren, twee adulten en de juveniel en als mogelijke vierde vogel die van de 6e maar dit kan gezien de afstand die zo'n arend af kan leggen een van 'onze' vogels zijn geweest. Gezien het heimelijke gedrag nabij de kampplaats is een broedgeval in het broekbos direct achter het kamp niet uitgesloten, om niet te zeggen zeer waarschijnlijk.

23) Buizerd

Het vrijwel ontbreken van Buizerdwaarnemingen doet vreemd aan als je weet dat het veruit de algemeenste roofvogel van Polen is. De enige plek met meer dan twee buizerden was, zoals gebruikelijk, de kampplaats. Hier broedde namelijk een paartje in het bos op de heuvel met drie of vier juvenielen. Zelfs in andere op het oog goede habitats werden vrijwel geen Buizerden gezien.

24) Wespendief

De op één na algemeenste roofvogel in de omgeving van Recz. Hij werd dagelijks gezien in aantallen die varieerden van twee tot vijf exemplaren. Verder weg werden bij alle grotere boscomplexen wel Wespendieven gezien in lage aantallen. Ten westen van Recz werd een nest gevonden en nabij de kampplaats werden er twee vermoed.

25) Havik

Er waren maar twee waarnemingen n.l. een vrouwtje op zowel de 8e als de 11e bij de Karpervijver. De zeldzaamheid van de havik kan mogelijk verklaard worden met het ontbreken van naaldbos in de omgeving.

26) Sperwer

Slechts één waarneming van deze in het broedseizoen lastig te vinden soort: op drie augustus joeg een vrouwtje boven het meer.

27) Rode Wouw

Volgens onze waarnemingen is de Rode wouw veel algemener dan zijn zwarte verwant dit in tegenstelling tot de Poolse avifauna. Volgens dit boek is de zwarte wouw vooral talrijk in het noordwesten en de Rode Wouw in de Rest van het land. dagelijks vlogen er twee rond het kamp en de Karpervijver, er zaten er drie ten zuiden van Chemnietz op een akker met één zwarte wouw en 16 Raven, één bij Netkowo en dan nog diverse andere waarnemingen in de omgeving.

28) Zwarte wouw

Slechts twee waarnemingen van de minst elegante wouw, één ten westen van Recz en nog een op 3 augustus bij Chemnietz (zie rode wouw)

29) Bruine Kiekendief

De algemeenste roofvogel tijdens het kamp die op vrijwel alle geschikte plekken wel te zien was. Mogelijk toch een iets vertekend beeld omdat de meeste waarnemingen afkomstig waren van een familie van vijf stuks op de Karpervijver. Toch was het duidelijk dat er meer vogels in de omgeving aanwezig waren, zo werden er op de 10e vijf adulte mannetjes en twee adulte vrouwtjes naast de drie gebruikelijke juvenielen geteld. Daarnaast werd ook nog een broedgeval vastgesteld ten zuiden van Chemnietz waar vier vogels werden geteld.

30) Blauwe Kiekendief

Er waren drie waarnemingen gedurende het kamp, waarvan slechts van een details beschikbaar zijn: een vrouwtje of eerstejaars vloog op de 9e over de Karpervijver naar het zuiden.

31) Grauwe Kiekendief

Slechts enkele waarnemingen die waarschijnlijk allemaal afkomstig zijn van een broedgeval ten zuidoosten van het kampterrein. Het nest lag in een graanveld langs de weg naar Lubionow. Het mannetje werd vrij geregeld jagend boven de graanvelden en enkele malen boven de Karpervijver gezien. Er was een waarneming van een vrouwtje buiten de broedplaats; 9 augustus ten oosten van de Karpervijver, gezien het gedrag mogelijk al een trekker.

32) Visarend

Visarenden konden vooral rondom Recz gezien worden tot drie per dag. Vanwege het grote aantal waarnemingen en het gebrek aan detailnotities is het exacte aantal niet te bepalen, maar het zal liggen tussen de drie en 10. Zeker is i.i.g. een nest ten westen van Recz en mogelijk ook nog een ten oosten van ons kamp waarheen dagelijks Visarenden met vis in hun klauwen vlogen. Volgens de plaatselijke bioloog zou er een nest zijn op het militaire oefenterrein. Op andere plaatsen waren er enkele zwervende waarnemingen.

33) Boomvalk

Het vrijwel afwezig zijn van de Boomvalk was voor meerdere vogelaars een rare gewaarwording: perfect broedbiotoop, kuddes libellen boven fraaie plassen en een boel jeugdbonders om alles te noteren maar toch leverde dit alles maar één waarneming op. Op 6 augustus vloog er één bij Recz.

34) Torenvalk

Er was slechts één waarneming te vinden op de excursieformulieren en in de diverse notitieboekjes. Ondanks het feit dat de Torenvalk in Polen verschrikkelijk hard achteruit gaat, gaat het er bij mij niet in dat de waarneming van twee exemplaren bij de zuidoever van de Karpervijver de enige zou zijn. Mogelijk nemen de excursiegangers niet de moeite om de TV te noteren?

35) Patrijs

Eén juveniel werd ten zuiden van Chemnietz gevonden als verkeersslachtoffer en af en toe werden er enkele patrijzen opgepest door de zoogdierenmensen op zoek naar hun muizevallen.

36) Kwartel

Gedurende het hele kamp zat er één (op de 2e twee) mannetje zichzelf aan te prijzen in een graanveld boven plas C. Deze was voor de luilakken zelfs vanuit de tent te horen.

37) Kraanvogel

We hadden het genoegen op hoorafstand van een Kraanvogelslaapplaats te kamperen zodat vrijwel iedereen op het eind van het kamp het geluid zo'n beetje kon dromen. Naast de slaapplaats waren er nog enkele waarnemingen:

Op 3 augustus is 2 km ten noorden van Recz in de schemering een grote groep gehoord, en zijn 8 km ten noorden van Recz twee adult en twee juvenielen op een al gemaaide graanakker gezien. Op vier augustus vlogen tien exemplaren over het kampterrein en één ex. naar het westen over het veen bij Netkowo. Op de 6e werden vanuit de trein enkele kilometers ten oosten van Recz twee exemplaren gezien, op 10 augustus twee exemplaren op akkers bij Lubiniow. En dan nog enkele geluidswaarnemingen her en der.

38) Waterral

Op 30 juli riep er één vanuit het rietzoompje bij plas B op het kampterrein en enkele keren werden en wat gehoord vanuit de moerassige gedeeltes rond de Karpervijver.

39) Waterhoen

Vrij algemeen op plassen met dichtbegroeide oevers.

40) Meerkoet

Algemeen op meeste plassen en meren

41) Kievit

Veruit de algemeenste steltloper op het kamp. De grootste aantallen verbleven op de Karpervijver maar ook op andere plassen werden af en toe forse groepen gezien en op sommige dagen trokken ze ook goed naar vnl zuid en zuidoostelijke richtingen. Waarschijnlijk was daar ergens een grote slaapplaats omdat Kievieten van de Karpervijver tegen de avond ook in die richting afnokten. Helaas konden we die slaapplaats niet vinden, dergelijke plekken leveren vaak ook veel andere steltlopers op. Het maximum op de Karpervijver bedroeg zo'n 800 exemplaren.

42) Kleine Plevier

Op zowel de 1e als de 7e werd er één Kleine plevier op de Karpervijver gezien, op de 7e zelfs nog even baltsend.

43) Steppenvorkstaartplevier

Veruit de zeldzaamste soort van het kamp. Op de 7e verbleef één adulte vogel 2,5 uur op de Karpervijver in een groep Kievieten. Helaas kon de vogel de volgende dagen niet meer teruggevonden worden. Een volledige beschrijving is opgestuurd naar de Poolse rariteiten commissie en zal hier als bijlage (laatste paragraaf) bijgevoegd worden. Overigens is dit de 4de (Poolse Avifauna) of 7e (Lewington e.a.) waarneming voor Polen. In dezelfde periode werden er ook twee gezien in Noord-west Polen en nog één in Estland zodat we wel kunnen spreken van een kleine invasie van Oost-Europa.

44) Bonte Strandloper

Twee adulte bontjes werden op 2 augustus op de Karpervijver gezien.

45) Houtsnip

Er is slechts één Houtsnip gezien, op het eind van het kamp werd deze opgepest in een nat bos een km of 10 ten Oosten van Recz. Er is dus veel te weinig gestruind.

46) Poelsnip

Alweer zo'n verrassende waarneming, misschien wel de meest onverwachte van het kamp, was de waarneming van vier over het kampterrein vliegende en roepende Poelsnippen op 31 juli. Ik hoorde hierbij de typische vluchtroep ( mij bekend van bandjes en uit Israël), zag de donkere ondervleugel en de, vergeleken met Watersnip, zware vlucht die meer aan een Houtsnip of eend doet herinneren.In de beschikbare literatuur werd alleen Oost-Polen als broedgebied genoemd, hadden wij nu het geluk om enkele westelijkere broedvogels te ontdekken of waren het trekkers uit Scandinavië?

47) Watersnip

Voornamelijk gezien op de Karpervijver en slechts enkele waarnemingen op het kampterrein en voor zover bekend geen daarbuiten. Het maximum getelde Watersnippen bedroeg 46 maar dit is natuurlijk een minimum door het verscholen gedrag van deze soort. Het maximum op het kampterrein was vier exemplaren.

48) Wulp

Op de 7e verbleef er een Wulp de gehele dag op de Karpervijver, een leuke waarneming voor de regio.

49) Oeverloper

Ook weer zo'n soort die door de meesten niet genoteerd werd. Daardoor zijn er slechts twee waarnemingen doorgegeven, twee exemplaren van de Karpervijver en twee exemplaren van plas C. Dit zijn waarschijnlijk al trekkers geweest maar de soort broedt schaars in geheel Polen met concentraties in Pommeren.

50) Witgatje

Op de meeste plassen konden wel Witgatjes gevonden worden maar het ging meestal om eenlingen. Grotere aantallen werden alleen gezien op de Karpervijver (minstens twee) en op plas B (vier exemplaren).

51) Bosruiter

Deze soort werd uitsluitend op de Karpervijver gezien. Gedurende het kamp namen de aantallen langzaam toe van één naar vijf exemplaren.

52) Groenpootruiter

Twee Groenpootruiters werden bijna dagelijks op de Karpervijver gezien.

53) Zwarte ruiter

Zoals bij de meeste steltlopers werden ook de meeste Zwarte ruiters op de Karpervijver gezien. De aantallen varieerden van vijf tot twaalf exemplaren. De modderrandjes hadden duidelijk een gigantische aantrekkingskracht op steltlopers. Slechts één Zwarte ruiter werd op een andere plek gezien, de al bijna even onvermijdelijke kampplaats.

54) Kemphaan

Eén juveniele Kemphaan bracht enkele dagen aan de Karpervijver door.

55) Stormmeeuw

Er is er één boven de Karpervijver gezien: stond op de soortenlijst maar verdere details ontbraken.

56) Kokmeeuw

Helaas was de auteur de enige die (soms) de aantallen e.d. van Kokmeeuwen noteerde want de Kokmeeuw is echt geen algemene soort in deze regio. Ditzelfde probleem trad bij veel meer of minder algemene zangvogels nog sterker op. De grootste aantallen (minder dan tien exemplaren) verbleven op de Karpervijver en op het meer bij Inskó.

57) Zwarte Stern

Alleen op de eerste excursiedag werden er nog een paar Zwarte sterns geteld, uiteraard op de Karpervijver. Afhankelijk van de excursie werden er vier of vijf geteld.

58) Witvleugelstern

Eén juveniele Witvleugelstern vloog gezellig met de Zwarte sterns mee en vertrok helaas ook met hun op de 31e.

59) Visdief

Zoals bij de andere sterns konden we alleen maar het staartje van de trek meemaken. Op dezelfde dag als de moerassterns verbleven er ook vijf Visdiefjes op de Karpervijver.

60) Dwergstern

Enkele mensen hadden het geluk om op de 1e augustus na vertrek van de overige sterns twee adulte Dwergsterns te ontdekken op de Karpervijver. In eerste instantie doet deze waarneming zover van de kust wat vreemd aan maar in Oost-Europa broeden Dwergsterns ook in het binnenland langs rivieren en plassen.

61) Stadsduif

Zeer algemeen nabij dorpen en andere bebouwing.

62) Holenduif

Vrij algemeen op plaatsen met zowel open loofbos als akkers of andere voedselbronnen.

63) Houtduif

Zeer algemeen, niet genoteerd.

64) Zomertortel (ook wel "Tortelduif")

Zeker niet algemeen maar om de een of andere vage reden door niemand genoteerd.

65) Turkse Tortel

Talrijk nabij boerderijen en silo's.

66) Koekoek

Slechts één waarneming, op 8 augustus vloog er één over het kampterrein.

67) Steenuil

Een roepende Steenuil kon meerdere avonden beluisterd worden net ten Noorden van het kamp.

68) Bosuil

Enkele Bosuilen riepen af en toe in de uitgestrekte bossen tussen het kampterrein en de spoorlijn. Op basis van de roepen konden één mannetje en twee juvenielen onderscheiden worden. Waarschijnlijk heeft hier een broedgeval plaatsgevonden.

69) Kerkuil

Deze soort is niet in levende lijve aanschouwd maar in de kerk van Recz werden wat oude braakballen van deze soort verzameld.

70) Gierzwaluw

Op de eerste dagen van het kamp was de Gierzwaluw nog vrij algemeen maar dit liep snel af naar het eind van het kamp toe. Grote groepen verzamelden zich vaak boven de plassen waarna ze of gingen pitten of in een compacte groep naar het verre zuiden nokten.

71) IJsvogel

Er was een broedend paartje met twee of drie pas uitgevlogen jongen in het bosje achter plas C. Deze vogels leken er nogal plezier in te hebben om over de kampvijvers te scheuren voor een groot publiek. Het nest zat in een steile kant van een holle weg. Ook op andere plassen in de buurt werden regelmatig IJsvogels gezien. Daarnaast nog een paar op verre excursies zoals langs de beken bij Krepa, langs de Drawa enz. enz. Deze soort is duidelijk niet zeldzaam in Pommeren.

72) Grijskopspecht

Al op de eerste ochtend konden we vanuit onze tenten van de luide roepen van een paartje Grijskopspecht met minstens twee juvenielen genieten. Ze verbleven vooral in een elzenbroekbos direct achter het kampterrein. Behalve deze dagelijkse waarnemingen zijn er alleen nog een paar gezien in een bosje bij de Karpervijver. De gelijkenis met sommige wielewaalroepen was meer dan oppervlakkig en ook in de vlucht zijn juvenielen in een korte blik prima te verwarren. Zorg er dus voor, voor je in Nederland een Grijskopspecht claimt, de vogel uitstekend gehoord en gezien te hebben!

73) Grote Bonte Specht

Algemeen op bijna alle plekken met meer dan tien bomen.

74) Middelste Bonte Specht

Niet echt zeldzaam in de meeste oude bossen in de streek maar verschrikkelijk moeilijk te vinden als de vogel niet roept. Gelukkig zat er ook van de Mibo een paartje op het kampterrein zodat iedereen het kenmerkende gekwek kon leren. Dit leverde waarnemingen op naast plas C., langs de Drawa en in de enorme bossen ten noorden van Inskó.

75) Kleine Bonte Specht

Er werd er één in een groep zangertjes gezien die de bosrand rond plas C. aan het leegroven waren. Twee werden er nog gezien in het kleine bosje ten oosten van de Karpervijver. Het ziet er naar uit dat het de zeldzaamste Bonte specht in deze regio was.

76) Zwarte specht

Enkele Zwarte spechten zwierven door de bossen tussen het kamp en de spoorlijn en lieten zich af en toe horen.

77) Draaihals

Er is slechts één waarneming gedaan, een roepend mannetje bij het kampterrein.

78) Veldleeuwerik

Zeer algemeen in allerhande open biotopen, niet genoteerd.

79) Boomleeuwerik

Twee keer werden er Boomleeuweriken gezien in hetzelfde gebied, "ergens tussen Recz en Drawa", de eerste keer zes en de andere keer vier exemplaren.

80) Oeverzwaluw

Niet zeldzaam.

81) Boerenzwaluw

Zeer algemeen.

82) Huiszwaluw

Het was leuk om te zien dat de Huiszwaluw in Polen nog erg algemeen is in zowel de bebouwde kom als op het platteland.

83) Boompieper

Vrij algemeen in open, licht beboste gebieden zoals verruigde weilanden met struiken, venen en kapvlaktes.

84) Graspieper

Minder algemeen dan de Veldleeuwerik waarmee ze in de meeste gevallen samen voorkwam. Alleen op (erg) vochtige weiden komt de Graspieper in grotere aantallen voor.

85) Gele kwikstaart

Om de een of andere vage reden heeft vrijwel niemand Gele kwikstaarten genoteerd terwijl de soort er zeker niet algemeen was. Werd in ieder geval regelmatig nabij de Karpervijver en in graanvelden gezien.

86) Grote gele kwikstaart

Enkele malen vloog er één over ons kampterrein en daarnaast werden er nog enkele gezien naast de mooiere beken, bijvoorbeeld de Drawa.

87) Witte Kwikstaart

Algemeen nabij bebouwing en in allerhande open gebieden.

88) Winterkoninkje

Zeer algemeen, niet genoteerd.

89) Heggemus

Zeer algemeen, niet genoteerd.

90) Roodborstje

Zeer algemeen, niet genoteerd.

91) Zwarte roodstaart

Vrij zeldzaam, alleen maar gezien in de omgeving van Recz zoals op het station en bij de gebouwen rondom de Karpervijver.

92) Paapje

Zeer algemeen, de herfsttrek was duidelijk begonnen en versterkte de toch al niet geringe aantallen van de ter plekke broedende Paapjes. Broedgevallen werden vastgesteld in weilandgebieden, overhoekjes in akkerbouw-gebieden en op (verdroogd) veen. Het maximum aantal bedroeg 16 exemplaren in een groep nabij Lubiniow.

93) Roodborsttapuit

Er werd slechts één Roodborsttapuit gezien en wel in de bij Paapje vermelde groep nabij Lubiniow.

94) Tapuit

Iemand plaatste deze soort op de kamplijst maar details over deze waarneming zijn niet bekend. Ook op de heenweg zijn vanuit de trein waarnemingen gedaan.

95) Merel

Zeer algemeen, niet genoteerd.

96) Zanglijster

Algemeen, niet genoteerd.

97) Grote Lijster

Zeker niet algemeen maar vrijwel niet genoteerd. Werd vooral in en nabij bossen gezien.

98) Kramsvogel

De Kramsvogel is in dit gedeelte van Pommeren een vrij schaarse broedvogel gezien onze waarnemingen wat redelijk overeenkomt met de Avifauna. Alleen ten oosten van Recz werden enkele juvenielen en het aantal overige waarnemingen is op de vingers van twee handen te tellen.

99) Sprinkhaanrietzanger

De enige waarneming betrof een mannetje, zingend vanuit een bosje in een nat weiland ten oosten van de Karpervijver. In Polen is dit de minst algemene van zijn familie met als talrijkste soort de Snor en daarna de Krekelzanger.

100) Rietzanger

In kleine aantallen aanwezige rondom de Karpervijver. Voor zover bekend nergens anders waargenomen.

101) Bosrietzanger

Slechts twee zekere waarnemingen, beide aan de Karpervijver. Stellig veel algemener maar het werkelijke voorkomen buiten het broedseizoen, wanneer de soort niet meer zingt, wordt vertroebeld door de determinatieproblemen tussen de Bosrietzanger en de Kleine karekiet. Gezien het landschap in deze regio zal ook hier de Bosrietzanger behoorlijk algemeen zijn.

102) Kleine karekiet

Zeer algemeen op alle plaatsen met een rietzoom.

103) Grote Karekiet

Een exemplaar verbleef een paar dagen aan de oostzijde van de Karpervijver. De typische roepjes van de juvenielen van deze soort werden niet gehoord zodat het wel om een trekker zal gaan. De enige andere waarneming betrof één ex. op de plas bij Inskó.

104) Spotvogel

Algemeen in gebieden met bosjes, struweel en grote tuinen, meestal niet genoteerd. Opmerkelijk was het voorkomen in rietvelden bij de Karpervijver.

105) Braamsluiper

Vrij algemeen in bosjes en struwelen.

106) Grasmus

Als Braamsluiper maar algemener en ook in vochtiger biotopen zoals venen.

107) Tuinfluiter

Algemeen, niet genoteerd.

108) Zwartkop

Zeer algemeen, niet genoteerd.

109) Sperwergrasmus

Enkele (drie of 4) Sperwergrasmussen verbleven net ten zuiden van het kampterrein nabij de voormalige watermolen in een paar houtwallen. Een ander exemplaar werd bij de Karpervijver gehoord.

110) Grauwe fitis

Nog zo'n grote verrassing was de vondst van een zingende Grauwe fitis boven mijn tent op 1 augustus. In eerste instantie amper te geloven, tot bleek dat ook Bram Aarts deze vogel had gehoord en gezien. Ondanks enkele intensieve zoektochten konden hier geen andere exemplaren gevonden worden, het zal dus wel een ongepaard mannetje betroffen hebben.

111) Fluiter

Op twee data werd één Fluiter gezien in het berkenbosje op het kampterrein.

112) Tjiftjaf

Zeer algemeen, niet genoteerd.

113) Fitis

Nog algemener dan de tjiftjaf.

114) Goudhaantje

Algemeen in naaldbossen, niet genoteerd.

115) Bonte vliegenvanger

Eén alarmerend vrouwtje werd net ten noorden van het kamp gehoord en een andere werd nabij de boerderij van de kampboer gezien.

116) Kleine vliegenvanger

Uiteindelijk vonden we op onze laatste excursie, bij Lubiomiov, een zingend mannetje van de Kleine vliegenvanger, een soort die we verwacht hadden in vrij grote aantallen te zien vanwege de forse uitbreiding van het broedgebied naar westelijke richting. Dit mannetje snapte er echter niet al te veel van, hij zat te zingen in een smalle strook jonge naaldbosaanplant temidden van een oud, open loofbos en juist dit laatste zou zijn voorkeursbiotoop moeten zijn.

117) Grauwe vliegenvanger

Vrij algemeen maar moeilijk te vinden vanwege zijn verscholen gedrag. Gezien in de meeste bossen en ook in erfbeplantingen e.d. Mogelijk ging het hierbij voor een deel om trekkers die vaak veel eenvoudiger te vinden zijn.

118) Baardmannetje

Zowel juveniele als adulte exemplaren van deze soort zijn bij de Karpervijver gezien in aantallen die varieerden van één tot zes per dag.

119) Staartmees

Vrij algemeen, niet genoteerd.

120) Glanskop

Niet erg algemeen maar helaas niet genoteerd. De enige notitie betrof de veel grijzere pluimage hier, vergeleken met de Nederlandse Glanskoppen.

121) Matkop

Vrijwel even algemeen als de vorige soort en hetzelfde verhaal over de pluimage maar in dit geval kan het worden verklaard omdat het hier om een andere ondersoort gaat nl. Parus montanus borealis.

122) Kuifmees

Vrij zeldzaam in de omgeving van Recz door het ontbreken van naaldbossen maar algemener in de naaldbossen verder naar het oosten.

123) Pimpelmees

Zeer algemeen, niet genoteerd.

124) Zwarte mees

Zeldzaam in de directe omgeving van Recz maar talrijk in de bossen ten westen en ten noorden van Recz. Vaak niet genoteerd.

125) Koolmees

Zeer algemeen, niet genoteerd.

126) Buidelmees

Vrij regelmatig waargenomen in de wilgstruwelen ten noorden van de Karpervijver en plaatselijk in rietvelden bij dezelfde plas. Daarnaast werden ook nog enkele overvliegende vogels boven het kampterrein opgemerkt.

Bij de ingang van de Karpervijver verbleef enkele dagen een groep van zes juvenielen, drie werden er hier overvliegend gehoord en op de meeste dagen werden er enkele gehoord en gezien nabij de zuidoever, niet toevallig net bij ons vaste uitkijkpunt.

127) Boomklever

In de meeste oude bossen konden Boomklevers gevonden worden maar de aantallen vogels varieerden sterk. Op enkele plaatsen, bijvoorbeeld het kampterrein, konden ook groepjes Boomklevers in erg jonge bosjes gevonden worden. Betrof het hier jonge vogels of zwervende exemplaren?

128) Taigaboomkruiper

&

129) Boomkruiper

Deze twee soorten zijn samengevoegd omdat de determinatie voor de meeste kampgangers ondoenlijk bleek. Er waren slechts twee of drie personen capabel genoeg om deze soorten te onderscheiden op zowel zang als roep, de veiligste determinatiepunten. Het beeld dat uit de zekere waarnemingen komt is het volgende: beide soorten komen vrijwel in alle bosgebieden voor waarbij de Taigaboomkruiper wat algemener lijkt dan zijn verwant.

130) Wielewaal

Net als een hoop andere soorten is ook de Wielewaal voornamelijk nabij het kampterrein gezien. Er verbleef hier in het elzenbosje een paartje met drie of meer juvenielen.

131) Grauwe Klauwier

Vrij algemeen in de meeste biotopen die afgewisseld worden met kleine bosjes en houtwallen. Bleek ook hier weer lastig te vinden maar toch nog vrij veel gezien. In de meeste gevallen werden alleen mannetjes gemeld maar op beter bezochte plekken ook vrouwtjes en juvenielen. Tussen het kampterrein en Recz verbleven minimaal twee paartjes met juvenielen.

132) Klapekster

Minder algemeen dan de voorgaande soort. De volgende waarnemingen weerden doorgegeven: één broedgeval net ten noorden van de Karpervijver, één exemplaar op de vuilnisbelt van Recz, één exemplaar ten zuidoosten van dezelfde vuilnisbelt en één exemplaar 6 km ten noorden van Recz.

133) Spreeuw

Zeer algemeen, niet genoteerd.

134) Vlaamse gaai

Algemeen, zelfs in steden gezien.

135) Ekster

Algemeen, niet genoteerd.

136) Notenkraker

Eén Notenkraker werd in het bosje bij de voormalige watermolen gehoord en gezien. Daarna zijn nog vele geluidwaarnemingen gedaan. Daar niemand hier goed mee bekend was zijn deze hier weggelaten.

137) Kauw

Algemeen, niet genoteerd.

138) Roek

Plaatselijk algemeen maar verder nauwelijks gezien. Er verbleven regelmatig enkele Roeken bij de Karpervijver en er was een grote slaapplaats met tot 400 exemplaren in het centrum van Choszczno.

139) Bonte Kraai

Van de tweelingsoort Zwarte en Bonte Kraai komt in Polen alleen één van de bonte ondersoorten voor. De Bonte kraaien werden vooral nabij bebouwing gezien en een enkel exemplaar op vuilnisbelten, vrijwel niet in landbouwgebieden. Dus een heel andere situatie dan in Nederland.

140) Raaf

Het was wel even wennen om te zien dat de Raaf veel talrijker was dan de Bonte kraai in het agrarisch gebied. Vrijwel overal konden Raven worden gezien en (vooral) gehoord. Op de akkers foerageerden ze vaak samen met Roeken en Kauwen, groepjes schuimden de meeroevers af op zoek naar wat eetbaars of speelden zomaar wat hoog in de lucht. Leuke aantallen waren 14 exemplaren boven het kampterrein, 16 exemplaren boven de Karpervijver en meer dan 30 ten zuiden van Chemnietz.

141) Huismus

Zeer algemeen, niet genoteerd.

142) Ringmus

Zeer algemeen, niet genoteerd.

143) Vink

Algemeen, niet genoteerd.

144) Goudvink

Vrij algemeen in de meeste gemengde bossen of jonge aanplant.

145) Appelvink

Verrassend genoeg nòg talrijker dan op de Veluwe, overal waar kersen in het bos stonden riepen Appelvinken en in de rijkere bossen op goede bodems zaten overal groepen Appelvinken. De grootste groep was 40 exemplaren over het kamp maar groepen van 20 tot 30 exemplaren konden op meerdere plaatsen bewonderd worden. Alleen langs de Drawa konden we geen Appelvinken vinden.

146) Europese kanarie

Vrij algemeen in en aan de rand van dorpen en dan met name bij de grotere tuinen met coniferen e.d. We hoorden aan de oostzijde van Recz bijvoorbeeld vijf zingende exemplaren.

147) Groenling

Algemeen, niet genoteerd.

148) Sijs

Enkele kleine groepjes vlogen over het kampterrein en enkele losse exemplaren konden gevonden worden in de grote naaldbossen bij Krepa. Het viel niet na te gaan of de Sijs in Pommeren broedde, maar anders waren dit wel erg vroege trekkers.

149) Putter

Algemeen, niet genoteerd.

150) Kneu

Algemeen en maar zelden genoteerd. De paar aanwezige notities betreffen een grote slaapplaats bij de Karpervijver in meldeveldjes. Er werden hier tot 400 Kneuen geteld.

151) Roodmus

Een wisselend aantal Roodmussen vergezelde de Kneuen op hun slaapplaats. Op de meeste dagen konden er twee gevonden worden maar op de 8e waren er minstens vijf aanwezig. Op een soort brandgang tussen de meren C. en E. voederde een schitterend adult mannetje minstens één juveniel. Daarnaast waren er nog enkele andere waarnemingen in de omgeving maar geen verder dan 10 km van Recz. Mogelijk kunnen alle waarnemingen herleid worden op de slaapplaats.

152) Grauwe gors

Eén Grauwe gors zat regelmatig op een telefoondraad net ten noorden van de Karpervijver.

153) Geelgors

Hier nog steeds zeer algemeen, niet genoteerd.

154) Rietgors

Algemeen op geschikte plekken, niet genoteerd.2.3 De waarneming van een Steppenvorkstaartplevier2.3 De waarneming van een Steppenvorkstaartplevier2.3 De waarneming van een Steppenvorkstaartplevier

2.3.1 Toedracht.3.1 Toedracht.3.1 Toedracht

Tijdens de vogelexcursie voor beginners liepen we rondom het grote meer net ten oosten van Recz op zoek naar steltlopers. Dit werd vereenvoudigd door de jagende bruine kiekendieven, deze joegen namelijk regelmatig voor ons onzichtbare steltlopers op uit de riet- en zeggevelden. tijdens een van die paniekvluchten ontdekte ik om 14.50 een vreemde steltloper in een groep van zo'n 60 kievieten. Gedurende zijn eerste snelle vleugelslagen kwam de vogel over als een 'superwitgatje' met zijn witte stuit, donkere bovenzijde en lange vleugels maar toen ik even later de vogel in normale vlucht en profiel zag herkende ik 'm meteen als vorkstaartplevier spec. Onmiddellijk waarschuwde ik de rest van de excursie (Mathijs Borst, Alma Leegwater en Waiwah Man) en ook zij vonden de vogel snel en konden hem op een afstand van ± 30 meter langs zien vliegen. Daarbij konden we wat extra kenmerken zien: geheel donkere ondervleugel zonder roodbruin, donkere bovenvleugel vrijwel zonder contrast en het ontbreken van een witte vleugelachterrand, kortom onze eerste steppenvorkstaartplevier! De 4e of 7e voor Polen!

Na een tijdje bijkomen en genieten won de routine en begonnen we met het maken van een beschrijving van de inmiddels gelande vogel. Hij (of zij?) verbleef in een groep kievieten op een modderveldje op zo'n 80 meter afstand. Na een eerste vluchtige beschrijving verkasten we naar een betere plek omdat we op de eerste de zon in onze ogen hadden en we de kleuren niet goed konden inschatten.

Na een stukje lopen vonden we een betere plek: schaduw, zon van achteren en een grotere kans op andere kampdeelnemers omdat we op het vaste uitkijkpunt zaten. Nadeel was wel de grotere afstand tot de vogel maar dat werd snel opgelost, een Schreeuwarend was zo lief om alles op te jagen en na een korte vlucht landde de steppenvorkstaartplevier op ± 60 meter voor ons, over geluk gesproken! Snel werden de telescopen en kijkers opnieuw gericht en werd begonnen met een nieuwe en uitgebreidere beschrijving die hierna volgt. Ondertussen kwam nog een excursie (Hans, Mathijs, Maarten en Eline) langs maar ja, daar hadden we ook niets aan en een andere excursie nam niet eens de moeite om te kijken toen we ze waarschuwden, ook enkele VWG'ers liepen aan de overkant maar deze hoorden of zagen ons niet, helaas. Na zo'n 2½ uur kicken vloog de vogel samen met wat kievieten in zuidoostelijke richting weg. Daarna is de vogel niet meer teruggevonden.

 

2.3.2 Gegevens waarneming.3.2 Gegevens waarneming.3.2 Gegevens waarneming

Soort: Steppenvorkstaartplevier (Glareola nordmanni)

Aantal: 1

Sexe: onbekend

Kleed: adult

Plaats: Recz, provincie Pommeren in west-Polen

Datum: 7-8-1992

Duur waarneming: van 14.50 tot 17.19 ® 2½ uur

Afstand: bij het maken van de beschrijving 30-80 meter, later meer

Optiek: kijkers 8x40, 10 x 40 en 7 x 50

telescopen 20-60 x 60 twee maal

Weers- zonnig, licht van achter later schuin van achter, geen

omstandigheden: bewolking, geen neerslag en vrijwel windstil. Naar het eind van de middag licht steeds beter (minder scherp) wordend.

Waarnemers: Pierre van der Wielen, Alma Leegwater, Matthijs Borst, Waiwah Man, Hans Inberg, Maarten Onneweer, Eline Kunst, Mathijs de Boer

Eerdere ervaring Geen, maar Pierre had wel de enige verwarringsbron, de 'gewone'

met de soort: vorkstaartplevier, vaker gezien in het Middellandse zeegebied.

2.3.3 Beschrijving.3.3 Beschrijving.3.3 Beschrijving

Bouw en grootte: in de zit een uitgerekte, slanke indruk veroorzaakt door de lage hoogte, lange vleugels en staart, langgerekt lichaam en lange poten. Slagpennen een paar centimeter, dus duidelijk, buiten de staart uitstekend. Lichaamslengte gelijk aan die van een kievit en hoogte 1/4 tot 1/3 minder dan kievit, dit vastgesteld in directe vergelijking. Lange geknikte vleugels, staart diep gevorkt in vlucht maar als de staart gespreid werd bij bijv. een zwenking in de jachtvlucht leek de staart vrijwel recht afgesneden (cf zwarte wouw).

Bovendelen: voorhoofd tot kruin minder afgerond dan de achterkop. Donkere, korte snavel, kleur niet met zekerheid te bepalen door de afstand en fel zonlicht. Oog groot en donker. In fel zonlicht donkere oogstreep zichtbaar zowel voor als achter (kort) het oog, later op de middag in beter zonlicht alleen voor het oog zichtbaar. Kop in goed licht een beetje lichter als de rug en vleugels. Rug volledig donkerbruin zonder contrasten. Vleugeldekveren zelfde kleur als rug maar slagpennen een tint donkerder, dit was alleen zichtbaar in het betere licht op het einde van de middag, in de eerste 1½ uur zag ik geen contrast. Dit in tegenstelling tot bij de vorkstaartplevier die een sterk contrast vertoont. Brede witte stuit en begin staart en donkerbruine eindband aan staart. Staartpunten leken in de vlucht ook wit maar bleken in de zit tijdens lopen of opheffen van de vleugel ook donkerbruin te zijn.

Onderdelen: Gele keelvlek die niet werd afgegrensd door een brede zwarte band. Waarschijnlijk wijst dit, evenals de wat lichtere kop, op een beginnend winterkleed? Onder de keelvlek begon een brede bruine borstband die valer werd naar beneden toe. De flanken, buik en onderstaartdekveren waren wit. Poten zwart of donkergrijs. Onderzijde vleugels en axillaries donkerbruin of zwart, goed te zien in vlucht op ± 30 meter en in zit als de vogel zijn vleugels optilde. Geen witte achterrand aan de vleugel aanwezig.

Gedrag: vanaf zijn ontdekking tot aan het vertrek volgde de vogel vrijwel de hele tijd kievieten. Vloog altijd op als de kieviten opvlogen maar snelde al snel voor de groep uit door zijn veel snellere vlucht. Bleef vaak lang in de lucht pas landend met of na de laatste kievieten. Dit gedrag ging ons na een tijdje verbazen omdat de kievieten behoorlijk agressief reageerden op de plevier. Ze probeerden hem iedere keer uit de groep te pesten wat ze meestal ook lukte. De plevier liep dan een paar passen en bleef daar dan. Enkele malen volgden de kievieten en vouwde de plevier Zijn vleugels uit en hield deze open tot de kievieten vertrokken. Als dat zelfs niet hielp vloog de vogel een stukje verder en zakte dan door zijn poten zodat het gewoon een brok modder tussen de andere brokken was. Voor ons was de vogel dan onmogelijk te vinden. Na een tijdje was de vogel het gedoe zat (?) en sperde zijn bek volledig open, begon zijn kop omhoog en omlaag te bewegen waarschijnlijk ondertussen roepend aan de pompende bewegingen te zien maar er werd door ons geen geluid gehoord. Tweemaal vloog de vogel op om te gaan jagen, dit gebeurde boven de meeroevers en rietvelden op vrij grote hoogte (15-30 meter). De vogel deed mij dan het meest denken aan een boomvalk of stern. De vogel vloog samen met boeren- en huiszwaluw en was zeker zo'n goede vlieger met dezelfde fantastische wenkingen en snelle hoogteverschillen. Na de laatste jachtvlucht vloog de vogel om 17.19 samen met kievieten naar het zuid-oosten.

 

 

P.S. 1 Dezelfde beschrijving maar dan in het Engels is naar de Poolse rariteiten commissie verzonden voor beoordeling.

P.S. 2 In dezelfde periode (tot in oktober) werden er in Europa nog 4 steppenvorkstaartplevieren gezien dus we kunnen wel van een kleine invasie spreken.

 

 

Pierre van der Wielen

 

3 Libellen3 Libellen3 Libellen

 

3.1 Inleiding 3.1 Inleiding 3.1 Inleiding

De omgeving van Recz heeft met zijn gevarieerd landschap veel te bieden. Onvervuilde beken, visvijvers, bronnetjes, leemputten en moerassen wisselen elkaar af. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het gebied veel, vaak zeldzame libellen herbergt.

Jammer genoeg is er op het zoka niet echt intensief naar libellen gekeken. We zullen dan ook heel wat, vooral algemene, soorten gemist hebben. Waarschijnlijk komt dit doordat alle waarnemingen 'bijvangsten' van algemene- of plantenexcursies zijn. Het vangen en determineren van kleine juffersoorten kost dan al snel te veel tijd. Een echte libellenexcursie is niet gehouden, hoewel dat gezien de temperatuur zeer verkoelend zou zijn geweest. Toch geven de waarnemingen een goed beeld van de grote afwisseling aan libellen in dit stukje Polen.

 

3.2 De vangplaatsen3.2 De vangplaatsen3.2 De vangplaatsen

Beschrijving vangplaatsen:

1 Oosttak van de Drawa, ten zuiden van Crepa

2 Visvijver-complex ten Noord-Oosten van Recz, tevens kampplaats

3 Groot ven ten Noorden van Recz, langs de weg Recz-Inskó

4 Vijver-complex ten zuiden van Recz, aan de weg Recz-Choszczno

5 Westtak van de Drawa, ten oosten van Drawno

6 Oud loofbos

Op slechts twee plaatsen is intensief gevangen: bij de Drawa en bij de visvijvers vlak bij het kamp. Zie de tabel op de volgende bladzijde voor de resultaten.

 

3.3 Bespreking vangsten3.3 Bespreking vangsten3.3 Bespreking vangsten

Vooral boven de oosttak van de Drawa blijken veel zeldzame libellen te vliegen. De Drawa is één van de schoonste en onaangetaste rivierlopen van Polen. Het is een van de laatste plaatsen in het land waar zalm kuit schiet. Drie excursies zijn per trein naar dit unieke gebied vertrokken. Het dal met zijn essenbossen en (verwaarloosde) hooilandjes en de snelstromende rivier die zich over een zandbedding door het geheel slingert heeft veel mensen de mooiste excursie van het zoka opgeleverd. De vele honderden Calopteryxen (beide soorten) die onophoudelijk over je hoofd vlogen maakten het beeld compleet. Ook de gaffellibel, kleine tanglibel en de beekrombout zijn soorten van onvervuilde, zuurstofrijke, snelstromende beken met een zandbodem. Alle vijf de soorten zijn in Nederland zeldzaam tot zeer zeldzaam en gaan nog steeds achteruit. Ook in Polen, waar de watervervuiling nog steeds toeneemt, zullen deze soorten achteruit gaan. Samengevat kun je zeggen dat de drawa zeer belangrijk voor libellen is en aan vrijwel alle soorten van de 'libellengemeenschap van onaangetaste rivierbovenlopen' plaats biedt. De status van Nationaal Park die dit gebied in 1990 kreeg zal er hopelijk voor zorgen dat dit zo blijft.

In de visvijvers rond de kampplaats zelf waren in augustus 1992 niet alleen veel zwemmende en dopende jeugdbondertjes te vinden maar ook enkele zonderlinge figuren die zich gewapend met net en tabel zoveel mogelijk aan die andere jeugdbonders onttrokken. Hoewel sommige kampdeelnemers het niet helemaal konden bevatten ("je bent toch op kamp om uit te rusten van het zomerfestival, en niet om achter veel te snelle of stekende beesten aan te rennen") waren zij veel gelukkiger met een Sympetrum Fonscolombii dan met een video-camera. En terecht, want de libellen op het kampterrein zijn zeer de moeite waard. Door het ontbreken van stromend water zijn de hier gevangen soorten heel anders dan langs de Drawa. Het stilstaand water met veel oever- en waterbegroeiing leverde maar liefst 6 sympetrum-soorten op. De zwervende heidelibel en de bandheidelibel zijn in Nederland (zeer) zeldzame immigranten, die alleen in warme zomers wat meer voorkomen. De overige libellen komen ook hier algemeen voor boven grotere wateren. Toch kom je zoveel soorten vrijwel nooit boven één plas tegen. Het is wel duidelijk dat de vijvers in hun huidige, extensieve vorm een grote betekenis voor libellen hebben.

 

3.1 Tabel vangsten libellen

Latijnse naam - Nederlandse naam¯ vangplek®

1

2

3

4

5

6

Calopteryx virgo - bosbeekjuffer

>

         

Calopteryx splendens - weidebeekjuffer

>

         

Sympecma fusca - bruine winterjuffer

         

1

Lestes sponsa - gewone pantserjuffer

 

x

       

Platycnemis pennipes - breedscheenjuffer

x

   

x

x

 

Ischnura elegans - lantaarntje

 

x

       

Enallagma cyathigerum - watersnuffel

x

>

       

Aeshna cyanea - blauwe glazenmaker

x

x

       

Aeshna grandis - bruine glazenmaker

x

x

x

     

Gomphus vulgatissimus - beekrombout

x

         

Ophiogomphus cecilia - gaffellibel

10

         

Onychogomphus forcipatus - kleine tanglibel

1

         

Somatochlora metallica - metaalglanslibel

x

x

       

Libellula fulva - bruine korenbout

1

         

Orthetrum cancellatum - gewone oeverlibel

 

x

       

Sympetrum danae - zwarte heidelibel

 

x

       

Sympetrum flaveolum - geelvlekheidelibel

x

x

       

Sympetrum fonscolombii - zwervende heidelibel

 

x

       

Sympetrum pedemontanum - bandheidelibel

x

x

       

Sympetrum sanguineum - bloedrode heidelibel

 

x

x

     

Sympetrum vulgatum - steenrode heidelibel

x

x

x

     

De overige vangstplekken hebben aanzienlijk minder waarnemingen opgeleverd. Dit komt vooral door de (zeer) korte tijd dat hier gevangen is. De wateren ten zuiden en noorden van Recz zien er op het eerste gezicht geschikt uit en zullen dan ook heel wat soorten libellen bergen. Dit geldt niet voor de west-tak van de Drawa bij Drawno. De rivier was hier gekanaliseerd en enigszins vervuild. We hebben hier dan ook maar één soort gevangen. De breedscheenjuffer leeft overigens wel in zuurstofrijk, niet al te vervuild water. Blijkbaar is niet de waterkwaliteit, maar de kanalisatie de beperkende factor voor de andere beeksoorten.

Opvallend is de vangst van een bruine winterjuffer in een oud loofbos. Zoals zijn naam al aangeeft begint deze soort in februari met vliegen. Eind juli start een nieuwe vliegperiode, die tot december kan doorlopen. Winterjuffers overwinteren als libel (dus niet als larf), de oorzaak van hun vreemde vliegtijden. Wat deze winterjuffer midden in een loofbos, ver weg van water en open ruimtes deed zal altijd wel een vraag blijven. In Nederland is Sympecma fusca een zeldzame en achteruitgaande soort van vennen en laagveen, die soms boven heidepaadjes en tussen bosjes vliegt. Waarnemingen van exemplaren die in loofbossen terecht zijn gekomen worden echter niet vermeld.

Zoals je hebt kunnen lezen zijn er heel wat in Nederland zeldzame soorten gevangen. Van de 21 gevangen soorten zijn er drie zeer zeldzaam tot uitgestorven en 5 zeldzaam. Je zou kunnen zeggen dat het huidige Pommeren het Nederland van voor de ruilverkaveling, watervervuiling, ontginning en landbouwmechanisatie is. Laten we hopen dat de Polen in staat zijn om hun omschakeling naar het moderne kapitalisme zonder enorme aanslagen op de natuur te laten verlopen!

Tot slot: bedankt Annemieke, Hans, Eline en David voor de gegevens.

 

 

Martijn de Jong

 

4 Insekten4 Insekten4 Insekten

 

4.1 Inleiding4.1 Inleiding4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk bestaat uit de lijsten van insekten, waargenomen te Recz (R) op 30-7, 1,3,4,6 en 11-8, Netkovo (N) op 1 en 2-8, Krepa (K) op 5-8 en Lubionow (L), op 9 en 10-8.

 

4.2 Dagvlinders4.2 Dagvlinders4.2 Dagvlinders

Geelsprietdikkopje

Groot dikkopje

Koninginnepage

Citroentje

Gele luzernevlinder

Oranje luzernevlinder

Klein koolwitje

Groot koolwitje

Klein geaderd witje

Boswitje

Resedawitje

Gehakkelde aurelia

Atalanta

Landkaartje

Dagpauwoog

Kleine vos

Distelvlinder

Rouwmantel

Kleine parelmoervlinder

Grote parelmoervlinder

Keizersmantel

Duinparelmoervlinder

Adippevlinder

Zilver vlek

Zilver maan

Pallas parelmoervlinder

Kleine vuurvlinder

Violette parelmoervlinder

Bruine vuurvlinder

Grote vuurvlinder

Morgenrood

Icarusblauwtje

Bruin blauwtje

Eikepage

Hooibeestje

Bont zandoogje

Koevinkje

Bruin zandoogje

Argusvlinder

Dambordje

R

 

 

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

x

x

x

 

 

 

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

N

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

K

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

 

x

x

x

x

L

 

 

x

x

x

x

x

x

 

x

x

x

x

x

x

x

x

 

 

x

x

x

x

x

x

x

x

 

4.3 Zweefvliegen4.3 Zweefvliegen4.3 Zweefvliegen

Chrysogaster solstialis

Chrysotoxum bicinctum

Chrysotoxum cautum

Chrysotoxum festivum

Cheilosia carbonaria

Cheilosia impressa

Cheilosia mutablis

Cheilosia pagana

Didea alneti

Didea intermedia

Epistrophe grossulariae

Epistrophe melanostoma

Epistrophe melanostomoides

Episyrphus balteatus

Eristalis abusivus

Eristalis arbustorum

Eristalis horticola

Eristalis intricarius

Eristalis nemorum

Eristalis pertinax

Eristalis rupium

Eristalis sepulchralis

Eristalis tenax

Helophilus hybridus

Helophilus pendulus

Helophilus trivitatus

Leuzona lucorum

Melangyna umbellatatum

Metasyrphus corrolae

Metasyrphus luniger

Myatropa florea

Platycheirus albimanus

Platycheirus fulviventris

Platycheirus peltatus

Pyrophaena rosarum

Scaeva pyastri

Scaeva selenetica

Sericomyia silenitus

Sphaerophoria scripta

Syritta pipiens

Syrphus ribessi

Syrphus vitripennis

Volucella pellucens

Volucella zonaria

Xylota coruleiventris

Xylota meigeniana

Xylota nemorum

Xylota segnis

R

x

 

 

x

x

x

 

 

 

 

x

x

x

 

x

 

 

x

x

 

 

 

x

x

 

x

 

 

 

x

x

 

 

 

 

 

N

 

x

x

x

x

 

 

 

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

x

x

x

x

x

 

 

 

 

x

x

x

x

x

x

 

 

 

 

K

x

 

 

 

 

 

 

x

x

 

 

x

 

x

 

x

x

x

x

x

x

 

 

 

 

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

L

 

 

 

 

x

x

 

x

 

 

 

 

 

x

 

x

x

 

x

x

x

 

 

x

x

x

x

 

 

 

 

 

x

x

x

 

 

 

 

x

4.4 Overigen4.4 Overigen4.4 Overigen

Blaaskopvliegen

Sicus ferruginues

Conops flavipes

Conops quadrifasciatus

Conops strigatus

Psychopala rufipes

 

Dazen

Chrysops caucutiens

Chrysops viduata

Haematopota pluvialis

Haematopota subculindrica

Haematopota crassicornis

Heptatoma pellucens

Haematopota scutellata ?

Hybomitra montana

Hybomitra muehlfeldi

Tabanus autumnalis

Tabanus bromius

 

Roofvliegen

Cerdistus geniculatus

Choeradus gilvus

Eutolmus rufibarbus

Lasiopogon cinctus

Machimus setosulus

Neoitamius socius

 

Dansvliegen

Empis livida

 

Snavelvliegen

Rhagio tringarius

 

Wapenvliegen

Stratiomys singularis

 

Sluipvliegen

Tachina fera

Tachina grossa

Tachina magnicornis

R

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5

1

 

1

2

1

1

4

 

 

 

x

x

 

x

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

N

 

x

x

x

 

 

 

 

 

15

4

1

1

 

 

 

 

 

 

 

x

x

x

 

 

 

 

x

 

 

x

 

 

x

 

 

x

K

 

x

x

x

x

 

 

 

8

2

1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

x

x

L

 

 

 

x

x

 

 

1

1

 

 

 

 

 

 

 

1

 

5 Waterbeestjes5 Waterbeestjes5 Waterbeestjes

 

5.1 Inleiding, vraagstelling en methode5.1 Inleiding, vraagstelling en methode5.1 Inleiding, vraagstelling en methode

Op 7 augustus is met de excursiedeelnemers Yves, Ryet, Addo, Stefan B. en Kees een klein onderzoekje gedaan bij de voormalige watermolen.

Bij de watermolen ligt een barrière in de beek, en het water wordt ondergronds door pijpen geleid. De vraag was: vormt dit een barrière in de beek, waar beesten niet of nauwelijks langs kunnen?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn er twee monsters genomen en vergeleken: monster 1 werd bovenstrooms genomen, en monster 2 benedenstrooms.

 

5.2 Resultaten5.2 Resultaten5.2 Resultaten

Monster 1

Elmis cf. lateillei (beekkever) 1

Cercyon bifenestratus (oeverkever) 1

Steenvlieglarve 1

Baetis muticus (haftelarve) 2

Kokerjuffer 2

Gammarus pulex pulex (vlokreeft) 50

 

Monster 2

Vlokreeft 1

Kokerjuffer 20

 

Hierbij moet aangetekend worden dat de beek benedenstrooms rechtgetrokken was en bovenstrooms kronkelde.

Toch lijkt er een duidelijk verschil in kwaliteit te zijn tussen monster 1 en 2. De minder algemene soorten komen niet (levend) door de watermolen heen. Alhoewel het juist deze soorten zijn die wel kunnen vliegen (Cercyon, Steenvlieg, Haft, Kokerjuffer (wordt Schietmot)).

Waarschijnlijk is het voor de waterbeestjes dan ook belangrijker dat de beek natuurlijk kronkelt dan dat de barrière (watermolen, tenslotte een 'cultuurmonument') wordt afgebroken.

Verder nog een interessante waarneming: Orconectus limosus, de gevlekte Amerikaanse rivierkreeft, is op niet exact bekende plaats en datum in een riviertje waargenomen door een trein-excursie met o.a. Pierre, John, Alma en Pino.

 

 

Bert Storm

 

6 Amfibieën en reptielen6 Amfibieën en reptielen6 Amfibieën en reptielen

 

6.1 Inleiding6.1 Inleiding6.1 Inleiding

Al op de eerste dag van het kamp bleken kampterrein en omgeving erg rijk te zijn aan reptielen en amfibieën, zowel in aantal als in soorten. Ook bleek er behoorlijke belangstelling vanuit de deelnemers voor deze groepen te zijn, waarna verschillende excursies voor deze beesten op pad zijn gegaan.

De waarnemingen zijn vrijwel allemaal op het oog en gehoor gedaan. Gerichte monsteringen van wateren voor amfibieën-larven (met schepnet) is nauwelijks gebeurd, waardoor zeker het voorkomen van salamanders en ook van verborgen levende soorten als knoflookpad onderschat zal zijn.

Het letten en duiken op ritselgeluiden heeft de meeste waarnemingen opgeleverd. Ook het goed afkijken van oevers en lage struwelen bijvoorbeeld heeft veel opgeleverd. Verder werden verschillende verkeersslachtoffers gevonden.

In totaal komen er in Polen 18 inheemse soorten amfibieën en 9 soorten reptielen voor. Hiervan zijn er tijdens dit kamp respectievelijk 13 en 4 soorten waargenomen op of in de omgeving van het kampterrein. Hieruit blijkt dat het gebied, en zeker de kwekerij zelf (alle soorten op 1 reptiel na), erg interessant is voor deze beesten.

 

6.2 Soortbespreking amfibieën6.2 Soortbespreking amfibieën6.2 Soortbespreking amfibieën

6.2.1 Salamanders.2.1 Salamanders.2.1 Salamanders

Er is tijdens dit zoka slechts 1 soort (kleine watersalamander) waargenomen. Aangezien er nauwelijks bewust gezocht is naar salamanders is dit vrijwel zeker lager dan het werkelijk voorkomende aantal soorten. In 1994 is door o.a. eerstgenoemde auteur het voorkomen van kamsalamander (Triturus cristatus) vastgesteld in het Drawno Nationaal Park.

* Kleine watersalamander (Triturus vulgaris)

Tijdens een excursie op de vuilnisbelt van Recz (ten zuiden van het kampterrein) werden ongeveer 25 exemplaren in een (zwaar) vervuilde, voedselrijke poel waargenomen. Een groot gedeelte hiervan bevond zich vlak voor of na de metamorfose. Er werden geen (sub-)adulte beesten gevonden. In de 'zwemplas' werd een salamanderlarve waargenomen, die waarschijnlijk ook van de kleine watersalamander was.

 

6.2.2 Padden.2.2 Padden.2.2 Padden

Er zijn vijf soorten padden waargenomen. Hiervan waren gewone pad en roodbuikpad erg algemeen. Ook werden vrij veel groene padden gevonden. Van knoflookpad en rugstreeppad zijn slechts enkele waarnemingen gedaan.

* Roodbuikvuurpad (Bombina bombina)

Deze erg mooie, in Nederland niet voorkomende soort werd op verschillende plekken op de kwekerij gevonden. Bij de vijver langs de bondstent werden zo'n 100 juveniele en subadulte beesten gevonden. Aangezien deze dieren allen een gele buiktekening hadden, werden de eerste dagen alle beesten gedetermineerd als geelbuikvuurpad. Aan de hand van de in de gidsen genoemde kenmerken (o.a. vorm van de wratten) konden geen beesten als roodbuikvuurpad gedetermineerd worden. Gele of oranje buiktekening komt bij jonge roodbuiken echter meer voor dan een rode tekening. Roodbuiken hebben echter over het algemeen groene vlekken op de bovenzijde, wat bij geelbuiken altijd ontbreekt. Aan de hand hiervan bleken alle beesten geelbuiken i.p.v. (de in Polen behoorlijk zeldzame) geelbuiken te zijn.

Verder werden op zo'n vijf plekken, verspreid over de gehele kwekerij, volwassen beesten gevangen of gehoord. Zo zaten er langs de zwemplas regelmatig enkele (maximaal 5) mannetjes te roepen. Alle gevangen adulte beesten hadden een donker-oranje tot dieprode buiktekening.

* Knoflookpad (Pelobates fuscus)

Deze soort heeft een erg verscholen leefwijze. Vooral bij droog weer is deze soort vrijwel niet waar te nemen. Alleen beesten die net uit de metamorfose zijn en juvenielen die zich in zeer vochtige stukken bevinden zijn dan niet de gehele dag ingegraven. Ondanks het droge weer werden deze in Nederland zeldzame soorten op verschillende plaatsen waargenomen, waarbij het telkens larven of juvenielen betrof.

Het grootste aantal werd gevonden in de poel op de vuilnisbelt van Recz. Hier werden ongeveer 10 juvenielen gevonden, waarvan de helft zich nog in de metamorfose bevond. Ook werden 25-50 larven gevonden.

Op de kwekerij werd langs de vijver bij de bondstent een exemplaar gevonden die zich in de metamorfose bevond. Op een zandhellinkje vlakbij de grootste vijver werden twee juvenielen gevonden.

Tijdens bezoeken in '93 en '94 van o.a. eerstgenoemde auteur bleek de soort overigens veel algemener te zijn. Op vochtige dagen werden behoorlijk wat beesten waargenomen.

* Gewone pad (Bufo bufo)

Deze ook in Nederland algemene soort bleek op het zoka de algemeenste paddesoort. In het gehele gebied werden behoorlijke tot zeer grote aantallen gevonden. Dit valt gedeeltelijk te verklaren door de weinig nauwkeurige biotoopkeuze en de relatief grote tolerantie voor vis in de voortplantingswateren. Opvallend waren enkele zeer grote exemplaren (10-15 cm) en een paartje in paarhouding (amplex), wat normaal na eind maart vrijwel niet meer voorkomt.

* Groene pad (Bufo viridis)

Deze soort is één van de twee niet in Nederland voorkomende soorten padden die op dit kamp gevonden werden. Verspreid over het terrein en ook bijvoorbeeld midden in Recz werden platgereden (sub)adulte beesten (zgn. Groene plad) gevonden. Vlak voor het einde van het kamp werd nabij de werkschuur ook een voortplantingsplaats gevonden. In een vrijwel droogstaande vijver waren vele honderden juvenielen aanwezig.

* Rugstreeppad (Bufo Calamita)

Tijdens het kamp werden zeker twee platgereden adulte beesten tussen de kwekerij en Recz gevonden. Weliswaar waren dit niet geheel zekere waarnemingen, maar aangezien in '93 en '94 op dezelfde plaatsen erg veel exemplaren gevonden werden, kan er vanuit gegaan worden dat dit ook rugstreeppadden betrof.

 

6.2.3 Kikkers.2.3 Kikkers.2.3 Kikkers

Er zijn maar liefst 7 soorten kikkers waargenomen. Op de springkikker na werden ook alle soorten in grote aantallen gevonden. De springkikker is tevens de enige niet in Nederland voorkomende kikker die gevonden is.

* Boomkikker (Hyla arborea)

Deze erg mooie, in Nederland zeldzame soort werd langs verschillende vijvers gevonden. Vooral bij de vijver langs de bondstent werden dagelijks tientallen juvenielen en subadulte beesten gevonden. De dieren waren allen aanwezig in halfhoge vegetatie. Vooral in bereklauwen en grote klitten waren veel beesten te vinden. Een enkel exemplaar zat echter zelfs in gewone grashalmen.

Bij de grote plas en een vijver ten zuidoosten hiervan zijn ook enkele adulten gevonden in dichte riet-brandnetel-struiken vegetatie.

* Bruine kikker (Rana temporaria)

Op ongeveer elke plek waar gezocht is naar amfibieën waren veel exemplaren van deze ook in Nederland algemene soort te vinden. Vrijwel zeker is ook dat in bijna alle wateren voortplanting plaatsvond.

* Heikikker (Rana arvalis)

Verspreid over het gehele terrein zijn beesten gevonden. Aangezien deze soort een sibbling-soort van de bruine is en dus niet makkelijk hiervan te onderscheiden is, is het niet helemaal duidelijk hoe algemeen de soort was. Op verschillende plaatsen werden in ieder geval meer heikikkers dan bruine gevonden. In Nederland is deze soort schaars en sterk bedreigd en wordt vrijwel alleen aangetroffen in schrale gebieden als heidevelden. In Polen waren de grootste aantallen ook aanwezig op schrale graslandjes en akkers, maar werden ook exemplaren aangetroffen in voedselrijke biotopen en zelfs in enkele dichte bosstukken.

* Springkikker (Rana dalmatina)

Tot de jaren '70 werd aangenomen dat deze soort niet in Polen voorkwam. De soort is namelijk zeer lastig te determineren en heeft kenmerken van zowel bruine als heikikker. Zeker juveniele beesten zijn enkel op pootlengte, kopvorm en tekening nauwelijks of niet te determineren.

Ook in Recz was het absoluut niet duidelijk wat het voorkomen van deze soort was. In twee typische biotopen is de soort met zekerheid waargenomen. Ongeveer 10 km ten oosten van Recz werden in een vochtig bos enkele zekere adulte springkikkers gevonden en in het bronbosje aan de oostkant van de kwekerij werden enkele exemplaren met zekerheid gedetermineerd. Waarschijnlijk komt de soort echter in alle stromende waters en vochtige bossen op het kampterrein voor.

* Groene kikkers (Rana esculenta (synklepton))

In Noordwest-Europa komen twee soorten en een hybride voor. De middelste groene kikker (Rana klepton esculenta) is een (vruchtbare!) kruising tussen de meer- of grote groene kikker (Rana ribunda) en de poel- of kleine groene kikker (Rana lessonae). In het veld blijken grote en kleine behoorlijk goed van elkaar te onderscheiden te zijn. De middelste kan echter alle tussenvormen hebben, waardoor vaak alleen prototypen van de drie vormen goed te determineren zijn. In Polen zijn in ieder geval alle drie de vormen gevonden.

De middelste groene bleek het algemeenst en is in veel verschillende biotopen, altijd in de buurt van water in vaak grote aantallen aangetroffen.

De kleine is waarschijnlijk bijna net zo algemeen en is vooral aangetroffen in kleine wateren. Vooral in bospoelen en karresporen zijn vrijwel alleen kleine te vinden.

De grote is met zekerheid gevonden in de karpervijver, een aanliggende vijver en in het meer bij Insko en is daarmee de minst algemene van de drie.

Deze biotoopvoorkeur, waar ook de namen poel- en meerkikker vandaan komen, is overeenkomstig met wat bekend is in Nederland. De kleine komt in ons land alleen op de hogere zandgronden voor, terwijl de grote voornamelijk in de grootschalige nattigheid van Laag-Nederland voorkomt.

6.3 Soortbespreking reptielen6.3 Soortbespreking reptielen6.3 Soortbespreking reptielen

6.3.1 Hagedissen.3.1 Hagedissen.3.1 Hagedissen

Tijdens het zoka zijn zeker twee soorten hagedissen waargenomen. Mogelijk is ook hazelworm waargenomen (zie opmerking "slang spec.").

* Zandhagedis (Lacerta agilis)

Deze in Nederland schaarse soort heeft een sterke voorkeur voor droge, open biotopen. Om deze reden is de soort niet veel waargenomen. Vrijwel alle geschikt lijkende stukjes waren echter bezet.

De beste plek bleek de vrij hoge, extensief begraasde heuvel langs de grote vijver. Vooral op het afgekalfde, open hellinkje waren veel exemplaren te vinden. Verder zijn exemplaren gevonden op o.a. enkele treinstations (Krepa en Recz), bij de werkschuur, in verschillende wegbermen en op een akker ten oosten van de heuvel.

* Levendbarende hagedis (Lacerta vivipara)

Net zoals in Nederland was deze soort in het gebied de algemeenste reptiel. Weliswaar zijn er nergens grote aantallen gevonden, maar de soort is wel op behoorlijk veel plaatsen waargenomen. Vooral (kleine) steenhopen en in akkers of andere ruderale terreinen liggende boomstammen waren bijna allemaal bezet. In tegenstelling tot de zandhagedis kan de levendbarende hagedis ook op vrij vochtige plaatsen waargenomen worden. Zo werd er bijvoorbeeld een exemplaar gevonden op de uit takken bestaande oeverbeschoeiing van de grote vijver. Ook op de heuvel waar de meeste zandhagedissen zaten, bleken veel levendbarende hagedissen te zitten.

6.3.2 Slangen.3.2 Slangen.3.2 Slangen

Er is slechts één soort slang met zekerheid waargenomen. Gezien het feit dat een groot gedeelte van het gebied te vochtig was voor andere soorten dan ringslang of in het geheel niet voor slangen geschikt was, is dit niet erg verwonderlijk.

* Ringslang (Natrix natrix)

Er zijn tijdens het kamp vrij weinig exemplaren gevonden. De meeste waarnemingen kwamen van de kwekerij, o.a. van de zwemplas en de plas langs de bondstent. Verder zijn er drie (sub)adulte verkeersslachtoffers gevonden op de doorgaande weg, enkele kilometers ten oosten van Recz. Ook werd er in de bossen bij Insko nog een volwassen exemplaar gevangen. Grappig was dat men toen gelijk kennis heeft kunnen maken met de sterk stinkende, nauwelijks afwasbare afweerstof van de ringslang.

* Slang spec.

Tijdens het kamp is er een platgereden pootloos reptiel gevonden, die doorgegeven werd als adder. Volgens de aanwezige Poolse bioloog komt deze soort echter absoluut niet in deze regio voor. Gezien het feit dat de excursiedeelnemers verzekerden dat het beest geen gele halsvlekken had, betreft het een gladde slang of een hazelworm. Van deze laatste soort is in '94 wel een exemplaar gevonden.

 

 

Frank Willems & Pierre van der Wielen

 

7 Zoogdieren7 Zoogdieren7 Zoogdieren

 

7.1 Inleiding7.1 Inleiding7.1 Inleiding

Het dorp Recz, waar we vlak bij zaten ligt in Noordwest Polen op ongeveer 80 km. ten oosten van de stad Szczecin. Het is een heuvelachtig gebied met vooral graanteelt. Op plekken waar akkerbouw plegen te moeilijk is (bv. door te steile hellingen) vinden we nog vrij goed bewaarde stukjes natuur.

Daar waar het zomerkamp was hadden we het geluk dat de eigenaar een viskwekerij bezat en dus afhankelijk was van de watervoorziening. Deze had hij slechts hier en daar aangepast maar over het algemeen was het een redelijk ongeschonden gebied. De akkerbouw had slechts hier en daar de overhand zodat het geheel zeer afwisselend was. Het gebied was voor zoogdieren (vooral de kleinere) dus vrij ideaal en dat bleek al snel.

De directe omgeving van het kampterrein is vrij zorgvuldig onderzocht op het voorkomen van muizen (11 raaien). In combinatie met doelgericht vegetatieonderzoek was het mogelijk een aantal conclusies te trekken betreffende biotoopvoorkeur van een aantal soorten muizen. Vooral voor de algemene soorten muizen, zoals de Grote Bosmuis, Rosse woelmuis, Brandmuis en Bosspitsmuis is dit gelukt (zie § 7.4). Daarnaast zijn over een veel groter gebied (1,5 km2) op drie avonden gegevens verzameld van vleermuizen (met behulp van de batdetector): dit resulteerde in 10 soorten vleermuizen en 3 koloniebomen (zie § 7.3). Daarnaast zijn losse waarnemingen (veelal zichtwaarnemingen of doodvondsten, soms met zekerheid vast te stellen sporen) van zoogdieren verzameld(zie § 7.2).

Om een indruk te krijgen van het gebied, zeker wat betreft het landschap, het met het landschap samenhangende gebruik zoals landbouw, en de situatie van de natuur is het zinvol om alvorens de waarnemingen te vermelden een wat algemenere beschrijving te geven van het gebied. Deze is vooral van toepassing voor de waarnemingen van vleermuizen en de losse zoogdierenwaarnemingen. Een specifieke beschrijving van het gebied waar de vallen zijn uitgezet is te vinden in paragraaf 7.4; vallenonderzoek.

Het onderzoeksgebied omvatte een vrij waterrijk gebied ten oosten van Recz. De noordgrens hiervan is de spoorlijn, de westgrens de hoofdweg die door Recz loopt, de zuidgrens en tevens oostgrens worden gevormd door een verhard pad (vanuit Recz naar het zuiden, eerste links) dat plots afbuigt naar het noorden (zie ook kaart 7.1).

Het onderzoeksgebied is grofweg te verdelen in 7 typen, namelijk;

1 loofbos 25,0 % ────┐

2 naaldbos 2,5 % │

3 gemengd bos 2,5 % ├── > 60 ,0 % natuur

4 water 15,0 % │

5 rietland 5,0 % │

6 ruigte 10,0 % ────┘

7 akker 40,0 %

Deze types variëren natuurlijk in pH, bodemstructuur, vochtigheid, vegetatie en voedselrijkdom.

De percentages per type zijn schattingen.

Naar aanleiding van de bovenstaande verhoudingen blijkt dat de 'natuur' toch de overhand heeft.

Kaart 7.1 Het gebied ten oosten van Recz

De mens echter drukt hier extra zijn stempel op de natuur door die ook te exploiteren. Het water wordt gebruikt om vis in te kweken, veel ruigtes om koeien in te laten grazen en alle typen bos om als brandstof te dienen (dit op zeer kleine schaal).

Door die zelfde mens krijgt het landschap wel een afwisselend karakter en daarbij ook een afwisselende flora en fauna (hypothetisch). Het gewas dat het meest wordt verbouwd is de rogge (Secale cereale) en in mindere mate biet (Beta vulgaris vulgaris). De rogge wordt tot de oogst met rust gelaten dus krijgen akkeronkruiden de kans zich hier te ontplooien.

Op geaccidenteerd terrein is het moeilijk boeren dus vinden we daar natuur: loofbos. Hetzelfde geldt in mindere mate voor vlak zeer nat terrein. Ook dit blijft vaak zonder akkerbouw. Af en toe wordt het door koeien (deze zijn schaars in Recz) begraasd. We vinden de 'vlakke' natte gebieden hier ook op deze hoogte door enkele bronnen in het gebied.

Ruigtes ontstaan in het gebied voornamelijk doordat een bouwlandgedeelte braak ligt. Dat dit meerdere jaren hetzelfde gebied is getuigen een aantal meerjarige planten op deze stukken. Voorbeelden zijn moerasdistel (Cirsium oleraceum), die op een ruigte stond waarin tevens een natte uitloper van een bron aanwezig was, en strobloem (Helichrysum arenarium), die op een droge ruigte stond op een helling.

Het bos in het onderzoeksgebied bestaat ongeveer voor 40 % uit loofbos, 2,5 % uit gemengd en 2,5 % uit naaldbos. De bossen staan voornamelijk op moeilijk te ontginnen hellingen en bestaan bovendien voornamelijk uit ruwe berk (Betula pendula) halverwege en onderin voornamelijk uit Beuk (Fagus sylvatica ) en wintereik (Quercus petraea).

In het gebied zijn een aantal kunstmatig aangelegde meertjes. Deze ogen, op een enkele na, allen zeer natuurlijk. Het grootste meer biedt veel ruimte voor vogels: de bruine kiekendief (Circus aeruginosus) komt hier tot broeden, evenals soorten als kuifduiker (Podiceps auritus), dodaars (Tachybaptus ruficollis) en de blauwborst (Luscinia svecica). Dit komt voornamelijk door de overwegend vloeiende overgangen tussen water en oever waardoor moerasvegetaties ('rietland') kunnen ontstaan. De kleinere meertjes zijn wat resoluter van aard, met hogere oevers. Toch is er hier en daar ook een dergelijke overgang te vinden. Omdat deze kleine meertjes wat meer rust genieten vinden we hier (wat meer dan elders) bijvoorbeeld de ijsvogel (Alcedo atthis).

De beken die de meren voeden ontstaan ook grotendeels in het gebied. Bij deze bronnen vinden we een kenmerkende vegetatie, zowel in 't bos als in open gebied. Planten als goudveil (Ehrysoplenium sp.) en bosbies (scirpus sylvaticus) getuigen van 'kwel' en zijn ter plekke dan ook te vinden. De beken stromen overwegend in zuidelijke richtingen meestal omzoomd door 'bos' met daarin voornamelijk zwarte els (Alnus glutinosa).

Het geheel maakt het dusdanig dat we wel moeten spreken van een afwisselend gebied met een hoge potentiële dichtheid aan zoogdieren.

 

7.2 Losse waarnemingen7.2 Losse waarnemingen7.2 Losse waarnemingen

7.2.1 Methode.2.1 Methode.2.1 Methode

Het was de bedoeling dat gedurende het kamp met name de auteur overdag en in de schemer waarnemingen zou verzamelen van zoogdieren aan de hand van sporen, doodvondsten, zichtwaarnemingen en braakbalvondsten. Dat één persoon nooit een goed overzicht kon krijgen, zeker door een tijdrovend vallenonderzoek, was duidelijk en daarom werden de mede-kampdeelnemers verzocht om waarnemingen van zoogdieren. Op potentiële verblijfplaatsen van speciale soorten zoogdieren, is door de auteur overdag intensief gezocht naar sporen.7.2.2 Resultaten7.2.2 Resultaten7.2.2 Resultaten

Van alle kanten stroomden voortdurend, vooral tijdens het doorspreken van de dagaktiviteiten, waarnemingen van die dag toe. Uiteindelijk zijn er 24 waarnemingen uit onderzoeksgebied verwerkt in tabel 7.2.2 en op kaart 7.2.

Het grootste percentage van de waarnemingen betrof zichtwaarnemingen. Zichtwaarnemingen zijn alleen verwerkt indien verwarring met andere zoogdiersoorten bijna uitgesloten was. Alleen de waarnemingen van het wild zwijn zijn gecheckt (zie soortbeschrijving).

s

d

z

tot

Bosspitsmuis (Sorex araneus)

-

3

1

4

Brandmuis (Apodemus agrarius)

-

-

2

2

Das (Meles meles)

1

-

-

1

Egel (Erinaceus europaeus)

-

-

2

2

Grote bosmuis (Apodemus flavicollis)

-

2

-

2

Haas (Lepus capensis)

-

-

1

1

Hamster (Cricetus cricetus)

1

-

-

1

Otter (Lutra lutra)

1

-

-

1

Ree (Capreolus capreolus)

-

-

16

16

Steenmarter (Martes foina)

1

-

-

1

Vos (Vulpes vulpes)

1

-

3

4

Wild zwijn (Sus scrofa)

-

-

2

2

Mol (Talpa europaea)

-

2

-

2

Totaal

5

7

27

39

Percentage

13

18

69

100

De 3 zichtwaarnemingen van de Bosspitsmuis en Brandmuis betroffen handvangsten. Het kleine percentage van spoorwaarnemingen ligt voornamelijk aan het klimaat (zeer droog, dus weinig duidelijke sporen) en de dagaktiviteiten van de auteur en vele anderen. Waarnemingen van algemene soorten ver buiten het onderzoeksgebied zijn voor kennisgeving aangenomen. Voor hamsters, steenmarter en otter werden veel potentiële gebieden opgezocht. Slechts hamsters en steenmarter werden gevonden, beide 1 waarneming. Bij toeval vond de auteur een spoor van de otter (zie verder soortbespreking).

In tabel 7.2.1, hiernaast, een weergave van het aantal waargenomen zoogdiersoorten in het onderzoeksgebied met behulp van met zekerheid vastgestelde sporen, doodvondsten of zichtwaarnemingen (s,d,z) per soort uitgesplitst.

Op de volgende bladzij worden de waarnemingen in het onderzoeksgebied op kaart getoond.

Kaart 7.2 Losse waarnemingen zoogdieren

 

BSP = Bosspitsmuis H = Hamster BR = Brandmuis M = Mol

GB = Grote bosmuis O = Otter BZ = Bunzing R = Ree

D = Das SM = Steenmarter EG = Egel V = Vos

HA = Haas WZ = Wild zwijn

7.2.3 Soortbespreking.2.3 Soortbespreking.2.3 Soortbespreking

*1 Bosspitsmuis (Sorex araneus)

Van spitsmuizen (Soricidae) is dit de enige soort los waargenomen waarvan 3 doodvondsten en 1 handvangst (mondelinge mededeling van Bram Aarts). Deze handvangst werd gedaan waar ook een raai (raai 4 zie vallenonderzoek) was uitgezet. In deze raai is geen bosspitsmuis gevangen. Dat de bosspitsmuis in het onderzoeksgebied algemeen voorkomt getuigt alleen al het aantal doodvondsten. De spreiding van de vondsten laat zien dat de bosspitsmuis in dit gebied wijd verspreid is (zie kaartje) Dat de Bosspitsmuis ook de drang heeft te verhuizen laat een verkeersslachtoffer zien (mondelinge mededeling Marcel Hospers) in het Noordwesten van het gebied.

*2 Brandmuis (Apodemus agrarius)

De Brandmuis laat zich overdag weinig zien (zie vallenonderzoek), de twee waarnemingen die gedaan zijn betroffen dan ook handvangsten van jonge dieren. Hun onervarenheid werd waarschijnlijk hun lot. De spreiding van de twee vangsten geeft ook hier aan dat de brandmuis wijd verspreid is (zie kaart). Beide handvangsten werden gedaan in natte gebieden, de vegetatie ter plekke kwam echter weinig overeen. De één betrof een hooggelegen veenplasje; de ander een, op kleine hoogte gelegen riet-bosjesruigte, gelegen naast raai 9 (zie vallenonderzoek).

*3 Das (Meles meles)

Het 'spoor' dat geconstateerd werd betrof een burcht (mondelinge mededeling van Pierre v/d Wielen), daarnaast zijn er nog enkele wissels gevonden en een aantal uitwerpselen in kuiltjes (ook nabij de burcht). De aanname is dat het de enige dassenfamilie in het onderzoeksgebied was, wellicht dat er in het zuiden een territorium grens net buiten het onderzoeksgebied was.

Drie kilometer naar het zuiden toe is er nog een burcht gevonden, waar het er naar uitzag dat mens en das al een jarenlange strijd voerden; veel pijpen waren uitgegraven, het gangenstelsel liep over ongeveer 100 à 150 meter (!!) door over een breedte 10 à 15 meter. Wellicht dat de dassen steeds verder zijn opgeschoven om de mens te ontwijken. Dat deze mensen daadwerkelijk last hadden van de dassen getuigde een aantal vierkante meters ondergraven akker. De grond bestond uit losse zavel (kleiig zand).

*4 Egel (Erinaceus europaeus)

Deze luidruchtige bosbewoner liet zich lange tijd niet zien.. Pas de laatste paar dagen had de waarschijnlijk steeds sterker wordende etensgeur van het kamp zo'n grote aantrekkingskracht dat ze tevoorschijn kwamen. Slechts twee individuen zijn vastgesteld. Vermoedelijk komt de egel vrij algemeen voor, dat er geen melding is gedaan van verkeersslachtoffers spreekt dit echter een beetje tegen.

*5 Grote Bosmuis (Apodemus flavicollis)

Deze soort leidt een verborgen leven in loofbossen, de enige zekere waarnemingen betroffen dan ook alleen 2 doodvondsten en deze in directe omgeving van loofbos (doodvondst Frank Willems) en in loofbos. Beide doodsoorzaken waren onbekend. De doodvondst van de grote bosmuis in het bos betrof een sexueel actief mannetje in goede conditie, zonder zichtbare mankementen. Veel kampdeelnemers maakten melding van springerige muizen in en rond de tenten. Waarschijnlijk betrof dit waarnemingen van de Grote Bosmuis die vlak bij vrij veel voorkwamen(Raai 10, zie vallenonderzoek) Niet in de tabel vermeld is een braakbalvondst van de grote Bosmuis gevonden in de kerk van Recz in de braakbal van een kerkuil.

*6 Haas (Lepus capensis)

De haas is geen algemene verschijning in het onderzoeksgebied. In de omgeving zijn geen hazen waargenomen. Slechts één zichtwaarneming (Arthur mondelinge mededeling) resulteerde in de vermelding van de haas. Zeker gezien de dagaktiviteiten van de haas lijkt dit een goede weergave van de zeldzaamheid van de haas.

*7 Hamster (Cricetus cricetus)

Een goede manier om het voorkomen van de hamster te achterhalen is het afzoeken van stoppelvelden op holen. Dit is op beperkte schaal gebeurt in het onderzoeksgebied. Dit leverde slechts 1 waarneming op. ± 7 Kilometer naar het oosten toe, buiten het onderzoeksgebied, leverde een dergelijk afzoeken ± 40 holen op (op ongeveer hetzelfde oppervlak stoppelveld). Dat de hamster algemener voorkomt in het onderzoeksgebied dan de ene waarneming suggereert ligt voor de hand.

*8 Otter (Lutra lutra)

Om een waarneming te doen van deze soort is heel wat 'schemerwerk' verricht. De plaats waar sporen gevonden waren van de otter is herhaaldelijk in de schemer bezocht, maar de otter liet zich niet zien. Volgens de lokale bevolking zou de otter hier vrij algemeen voorkomen, maar dit kon helaas niet bevestigd worden. Behalve de aanwezigheid van de otter in het onderzoeksgebied kan niets worden gemeld.

*9 Ree (Capreolus capreolus)

De 16 zichtwaarnemingen zijn de enige geregistreerde waarnemingen. Het aantal andere sporen (keutels, printen) waren er in zo'n grote aantal dat registratie ervan het geheel slechts onoverzichtelijk zou maken. De zichtwaarnemingen geven volgens mij een goed beeld van het voorkomen van de ree (zie kaart 7.2)

De waarnemingen van de ree laten een gebondenheid aan water zien, tevens is een voorwaarde voor de ree, ontwikkeld of minder ontwikkeld loofbos. Dit blijkt niet uit het kaartje, maar uit persoonlijke waarnemingen in het onderzoeksgebied. Omdat het onderzoeksgebied een soort waterrijke 'oase' vormt in de omgeving is de reeën dichtheid in het onderzoeksgebied niet gelijk aan die van de omgeving.

*10 Vos (Vulpes vulpes)

Het viertal waarnemingen van de vos lijkt een klein aantal, maar gezien het grote leefgebied van de vos kan toch worden gesproken van een algemeen voorkomen. Ook bij het verwerken van de waarnemingen van de vos zijn alleen, op één spoorwaarneming in blanco gebied na, zichtwaarnemingen verwerkt. (Pierre van de Wielen, Roel Brienen, mondelinge mededeling) Een vijftal kilometer naar het oosten is een dode vos gevonden, een verkeersslachtoffer, waarvan de kop meegenomen is. (Frank Willems).

*11 Steenmarter (Martes foina)

Omdat het vermoeden bestond dat de steenmarter in het onderzoeksgebied voorkwam is er gericht gezocht naar sporen. In de buurt van een boerderij is na niet al te lang speuren een latrine gevonden van een steenmarter. Wegens taalproblemen is de boerderij/schuur niet gecheckt op het voorkomen van een steenmarter. Het onderzoeksgebied herbergde verder geen potentiële steenmarter plaatsen.

*12 Wild zwijn (Sus scrofa)

Eén zichtwaarneming (Arthur) betrof 2 individuen in open gebied net na de schemer. Na deze mededeling is door de auteur extra gelet op sporen van wilde zwijnen, maar deze werden niet aangetroffen. Na een tip over talloze zwijnewissels langs de beken moest worden geconstateerd dat dit allen reeën wissels waren. Omdat zwijnen, met name door wroetsporen, vaak duidelijk laten zien waar ze voorkomen, moet het permanent voorkomen van het wild zwijn in het onderzoeksgebied worden betwijfeld.

*13 Mol (Talpa europaea)

De mol is een vergeten hoofdstuk in het geheel. Gezien de twee doodvondsten op een klein gebied is de mol vermoedelijk algemeen in het onderzoeksgebied. De mol prefereert, naar aanleiding van de plaats van de doodvondsten, de overgangszones tussen water (meertjes) en akker of verhard pad. Elders is trouwens de bovenste bodemlaag of ondoordringbaar i.v.m grote kiezels (op hellingen, in bossen) of te gestoord (vlakkere gebieden in akkers).

*14 Wezel (Mustela nivalis) en

*15 Hermelijn (Mustela erminea)

De wezel en hermelijn komen algemeen voor in het onderzoeksgebied, maar zijn niet waargenomen (buiten het vallenonderzoek). Gezien de vastgestelde dagaktiviteit (zie vallen-onderzoek) van de twee soorten is dit extra opmerkelijk. Wel zijn er sporen buiten het onderzoeksgebied gevonden van de hermelijn. Dit betrof een serie voetprinten ten zuidoosten van het gebied op ± 4 km afstand, een gebitsfragment (herkomst onbekend Niels Nijsingh) en keutels ± 10 km noordoosten van het gebied (Arthur). Sporen van wezels zijn waarschijnlijk over het hoofd gezien.

*16 Edelhert (Cervus elaphus)

Ongeveer 25 kilometer naar het westnoordwesten zijn sporen van edelherten waargenomen. Het biotoop betrof een uitgestrekt oud beukenbos met doorsnijding van enkele beken, de rivier de Drawa en de aanwezigheid van grote meren.

*17 Bever (Castor fiber)

Ongeveer 20 kilometer naar het noordwestnoorden liggen enkele hoogvenen waar vraatsporen zijn gezien van de bever (David Tempelman)

*18 Verwilderde huiskat (Felis catus)

Een enorme verwilderde huiskat, een doodvondst ± 12 kilometer naar het weten (verkeersslachtoffer), deed ons denken aan een wilde kat. De huiskat had echter een vrij lange staart smal eindigend en pluimpjes aan de oren (!) De vacht kwam overeen met die van een wilde kat.

*19 Bunzing (Mustela putorius)

Na het kamp werd mij een zichtwaarneming meegedeeld van een bunzing nabij het kamp. Gezien de betrouwbaarheid van de waarneming leek het me deze alsnog op te nemen in het verslag

*20 Eekhoorn (Sciurus vulgaris)

Er zijn op een twintigtal kilometers ten oosten van Recz twee eekhoorns waargenomen. Gezien de ouderdom en samenstelling van het bos in het onderzoeksgebied zou de eekhoorn ook in het gebied rond het kamp kunnen voorkomen. Er is echter niet actief gezocht naar sporen in geschikte biotopen.

7.3 Batdetectoronderzoek7.3 Batdetectoronderzoek7.3 Batdetectoronderzoek

 

7.3.1 Methode.3.1 Methode.3.1 Methode

Op 3, 5 en 7 augustus 192 zijn een aantal verschillende routes gelopen om een overzicht te krijgen van het voorkomen van de verschillende soorten vleermuizen in het onderzoeksgebied. verder zou globaal getracht worden de algemeenheid van die soorten vast te stellen. Hiervoor zou vooral het aantal koloniebomen een indicator zijn.

 

7.3.2 Resultaten.3.2 Resultaten.3.2 Resultaten

De resultaten vielen qua kwaliteit mee: er waren enorm veel soorten aanwezig in het onderzoeksgebied. De kwantiteit van de soorten kan niet tot nauwelijks worden vastgesteld doordat er niet genoeg tijd is besteed aan het batdetectoronderzoek. Dit kwam vooral door de geringe belangstelling vanuit het kamp (waartussen zelfs iemand met een batdetector!!).

Zo goed als het ging is toch getracht een representatief overzicht te maken in de vorm van een intekenkaart en aantalsschattingen. Deze aantalsschattingen zullen echter niet tot nauwelijks de waarheid weerspiegelen. Wellicht dat de verhoudingen tussen de aantallen wel kloppen. Zo zal men bijvoorbeeld, de grootoorvleermuis minder aantreffen dan de laatvlieger (zie tabel). Ook is zicht gekregen op vangstmethodes en ander gedrag van een aantal soorten vleermuizen, wat op zich ook een redelijk resultaat is van een zeer summier batdetectoronderzoek.

Van de in de tabel met een ster gemerkte soorten zijn ook koloniebomen gevonden: twee van de watervleermuis en een van de ruige dwerg. De drie soorten waarbij het aantal niet van toepassing is (Ruige dwerg-, rosse- en watervleermuis) waren in zulke grote aantallen dat zelfs een schatting volledig naast de werkelijkheid zou zitten. Daarnaast zijn er te weinig uren besteed aan het batdetectoronderzoek om een schatting te kunnen maken. Dit kwam door tijdgebrek i.v.m de vallencontroles (zie verderop in het verslag).

Op 29 lokaties zijn vleermuizen waargenomen, hierbij telt elke waargenomen vleermuis per locatie voor 1. Op één plaats 5 soorten vleermuizen telt dus als 5 lokaties. De locatieverhoudingen hebben directe relatie met de algemeenheid. Er moet dan wel rekening gehouden worden met het verschijnsel: plaatselijk algemeen. Voor verder uitspraken over algemeenheid: zie soortbesprekingen.

Op de volgende pagina een kaartbeeld van de waarnemingen van vleermuizen met behulp van de batdetector, type SKYE.

Kaart 7.3 Vleermuizen

 

GD = Gewone dwergvleermuis B = Baardvleermuis M = Meervleermuis

GO = Grootoorvleermuis V = Vale vleermuis W = Watervleermuis

RD = Ruige dwergvleermuis L = Laatvlieger RV = Rosse vleermuis

T = Tweekleurige vleermuis

7.3.3 Soortbespreking.3.3 Soortbespreking.3.3 Soortbespreking

*1 Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

De Baardvleermuis komt alleen in het zuiden van het onderzoeksgebied voor. Wellicht dat de kolonie van Baardvleermuis zich in de boerderij in het oosten van het gebied (zie kaart) ophoudt. Beide Baardvleermuizen zijn niet boven het water waargenomen wel in directe omgeving ervan.

*2 Gewone Dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

Deze vleermuissoort is alleen waargenomen rond de boerderij in vrij groot aantal (7). De kolonie houdt zich op in de boerderij of de directe omgeving daarvan.

*3 Ruige Dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

Deze vleermuis is zeer algemeen in het onderzoeksgebied. Er is een kolonieboom gevonden met daarin 20-30 vleermuizen. De Ruige dwergvleermuis is behalve in het bos en langs bosranden ook boven het water jagend waargenomen.

*4 Grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

De Grootoorvleermuis is 2 keer waargenomen. Eén exemplaar was meerdere avonden achter elkaar te horen op het kampterrein boven op de heuvel tussen de bomen. De vleermuis kan zonder batdetector worden waargenomen. (op zicht en geluid).

*5 Watervleermuis (Myotis daubentonii)

De watervleermuis is een zeer algemene soort in het onderzoeksgebied. Er zijn twee koloniebomen gevonden waarin in totaal ± 60-70 exemplaren gevonden. De watervleermuis is over het algemeen jagend boven het water waargenomen. Tijdens het zwemmen in de schemer waren de vleermuizen van zeer dichtbij te bewonderen !!

Ook zijn er enige watervleermuizen waargenomen op hun route van kolonieboom naar jachtgebied vliegend, langs een brede heg. Hierdoor kon gemakkelijk de kolonieboom worden vastgesteld. Deze was in een boom aan een kleine waterpartij op het boerenerf.

*6 Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

De Laatvlieger komt vrij algemeen verspreid over het gehele gebied voor. Opvallend genoeg zijn de Laatvliegers bijna alle boven water waargenomen, daarnaast enkele boven een laag begroeide helling.

*7 Meervleermuis (Myotis dasycneme)

De Meervleermuis heeft zich even kort laten horen op het grootste meer in het onderzoeksgebied. Twee exemplaren werden vastsgesteld. Wellicht dat het aantal veel groter is.

*8 Tweekleurige Vleermuis (Vespertilio murinus)

Deze, voor mij toen onbekende, soort is gehoord op één plek bij het grootste meer. Het was meer toeval dat de soort werd vastgesteld omdat de batdetector op zijn laagste stand was gezet. De 'zang' van de Tweekleurige Vleermuis lijkt wat op de "twiet" uit "twiet-tjok" van de Rosse Vleermuis waarbij de "twiet" langgerekter is en varieert in toonhoogte. Het geluid is karakteristiek en lijkt op dat van geen andere vleermuissoort. De Tweekleurige Vleermuis komt vrij algemeen voor (plaatselijk) in het onderzoeksgebied.

*9 Rosse Vleermuis (Nyctalus noctula)

De Rosse Vleermuis is een algemene soort in het onderzoeksgebied omdat de Rosse Vleermuis zo vroeg uitvliegt was het altijd een voorbode van de vleermuizen. De Rosse Vleermuis werd soms nog voor de schemer waargenomen. Vooral hoog boven bosranden is de Rosse Vleermuis waargenomen. Vaak kwamen Rosse Vleermuizen even snel langs gevlogen op grote hoogte ongeacht biotoop c.q oriëntatiepunten.

*10 Vale Vleermuis (Myotis myotis)

De Vale Vleermuis is eenmaal passerend waargenomen in het noorden van het gebied, de 5 overige waarnemingen betroffen jagende Vale vleermuizen boven laag begroeide hellingen. Het geluid was onmiskenbaar. De Vale Vleermuis komt waarschijnlijk algemeen voor en huist in een boerderij of in het dorp. De kerk is onderzocht op vleermuizen, maar dit gaf geen resultaat.

 

 

7.4 Vallenonderzoek7.4 Vallenonderzoek7.4 Vallenonderzoek

7.4.1 Methode.4.1 Methode.4.1 Methode

De vallen, 40 in totaal, werden in eerste instantie op gelijke afstand in rijen van 10 in homogene vegetatie gezet, zonder te prebaiten. De vallen stonden daar een aantal dagen waarbij af en toe waar nodig lokaas in de vorm van pindakaas, appel of vis werd aangevuld evenals hooi om de muizen de nacht door te laten komen.

Om te kijken of de muizendichtheid groter was dan de valcapaciteit zijn op een tweetal raaien (9 en 10) dubbelvallen geplaatst.

Wanneer een raai verplaatst werd werden de vallen schoongemaakt en zonder prebaiten geplaatst.

Aanvankelijk werd er drie keer per dag gecontroleerd, maar al snel bleek dat de muizen overdag nauwelijks actief waren waarna een controle na de avondschemer en na de ochtendschemer voldoende was om toch de muizensterfte zo laag mogelijk te houden.

In tabel 7.4.1 wordt een overzicht gegeven van het aantal nachten dat een raai heeft uitgestaan, het aantal vallen per raai (d = dubbelval), het aantal controles en het gebruikte lokaas per raai (p = pindakaas, v = vis, a = appel).

De vallenlokaties staan weergegeven op kaart 7.4 op de volgende pagina.

Per raai werden de muizen gemerkt: hierbij werd onderscheid gemaakt tussen soorten muizen en sexe van de muizen. de muis kan in theorie op 9 plaatsen gemerkt worden, waarna nog combinaties van plaatsen mogelijk zijn. Voorbeeld van gemerkte muizen:

Grote Bosmuis _ merk rechtsachter raai 1, val 6

Grote Bosmuis _ merk rechtsachter raai 1, val 7

Grote Bosmuis _ merk linksachter raai 1, val 9

Of, in korte notatie:

R1 GB _ RA 6

R1 GB _ RA 7

R1 GB _ LA 9

Kaart 7.4 Plaatsing van de vallen

In onderstaande tabel 7.4.2 wordt een overzicht gegeven van controles per datum, tijdstip van de dag en valnacht (1 t/m 11).

nr

1

2

3

4

4A

5

6

6A

7

8

9

10

11

12

datum

31-07

31-07

31-07

01-08

01-08

01-08

02-08

02-08

02-08

02-08

03-08

03-08

04-08

04-08

tijd

9

15

23

9

12

18

19½

23

18½

17½

nacht

1

1

1

1

1

2

2

2

3

3

3

4

4

5

 

nr

13

14

15

16

16A

17

18

19

20

21

22

23

24

25

datum

05-08

05-08

06-08

06-08

06-08

07-08

07-08

08-08

08-08

09-08

09-08

10-08

10-08

11-08

tijd

20

21

24

8

21

9

20

9

21

21½

81

nacht

5

6

6

7

7

7

8

8

9

9

10

10

11

11

 

7.4.2 Vegetatiebeschrijvingen.4.2 Vegetatiebeschrijvingen.4.2 Vegetatiebeschrijvingen

Om een goed beeld te krijgen van de vegetaties waarin de raaien zijn uitgezet zijn vegetatieopnames gemaakt op een representatief gedeelte van een raai. Aan de hand van de type vegetaties kan iets gezegd worden over de factor vochtigheid van de bodem. Beide (vegetatie + vochtigheid) zijn belangrijk om te bepalen wat de leefvoorkeuren voor de gevangen muizen in de verschillende raaien zijn.

In tabel 7.4.3 op de volgende twee paginas wordt bij de lijst met plantesoorten aangegeven in welke raai zij voorkomen. Ook is de dichtheid van de vegetatielagen bekeken: zie tabel 7.4.4. Tot slot is nog kort in woorden een vegetatiebeschrijving per raai weergegeven.

Uit de tabellen worden onder andere de volgende gegevens ontleend:

1. Aan de hand van de vegetetatie in combinatie met de waargenomen waterstand zijn de raaien in te delen naar toenemende natheid: 11, 6A, 2, 6B, 4, 3, 1, 7, 8, 10, 9, 5.

2. Aan de hand van de dichtheid van de boom- en struiklaag tezamen zijn de raaien in te delen naar toenemende dichtheid (0 - 80%) van deze lagen: 5/7/8/9, 3, 4, 11, 10, 6B, 1/6A, 2.

3. Aan de hand van de dichtheid van de kruidlaag zijn de raaien in te delen naar toenemende dichtheid (30 - 80%) van deze laag: 6A, 1/2, 4/10, 6B, 9, 7, 3/5/8/11.

Tabel 7.4.3 Vegetatieopnamen raaien

Soort

(Nederlandse naam)

Raainummer

Soort

(Latijnse naam)

 

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

 

Haagbeuk

x

                   

Carpinus betulus

Gewone vlier

x

   

x

 

x

         

Sambucus nigra

Eenbes

x

                   

Paris quadrifolia

Grote windhalm

x

x

                 

Apera spica-venti

Geel nagelkruid

x

                   

Geum urbanum

Gevlekte dovenetel

x

       

x

         

Lamium maculatum

Klein springzaad

x

x

             

x

 

Impatiens parviflora

Robertskruid

x

               

x

 

Geranium robertianum

Wilde Judaspenning

x

               

x

 

Lunaria rediviva

Fluitekruid

x

       

x

 

x

     

Anthriscus silvestris

Vogelkers

 

x

                 

Prunus padus

Grove den

 

x

                 

Pinus sylvestris

Zachte berk

 

x

                 

Betula pubescens

Adelaarsvaren

 

x

               

x

Pteridium aquilinum

Lijsterbes

 

x

                 

Sorbus aucuparia

Harig wilgeroosje

   

x

 

x

           

Epilobium hirsutum

Zwarte els

   

x

x

 

x

   

x

   

Alnus glutinosa

Pitrus

   

x

         

x

   

Juncus effusus

Akkerdistel

   

x

       

x

     

Cirsium arvense

Riet

   

x

 

x

 

x

x

x

   

Phragmitus arvense

Ringelwikke

   

x

               

Vicia hirsuta

Watermunt

   

x

               

Mentha aquatica

Akkerkool

     

x

             

Lapsana communis

Grote brandnetel

     

x

x

x

x

x

 

x

 

Urtica dioica

Groot hoefblad

     

x

 

x

         

Petasites hybridus

Donzige klit

     

x

x

           

Arctium tormentosum

Gewone engelwortel

     

x

 

x

x

       

Angelica sylvestris

Gewone Es

     

x

         

x

 

Fraxinus excelsior

Rietgras

       

x

           

Phalaris arundinacea

Heermoes

       

x

           

Equisetum arvense

Witte paardekastanje

         

x

         

Aesculus hippocastanum

Bosviooltje spec.

         

x

         

Viola spec.

Gewone ereprijs

         

x

         

Veronica chamaedrys

Zevenblad

         

x

         

Aegopodium podagraria

Distel

         

x

x

x

     

Cirsium oleraceum

Wilde pruim

         

x

         

Prunus domestica

Wilde appel

         

x

         

Malus silvestris

Moerasooievaarsbek

           

x

       

Geranium aquaticum

Smeerwortel

           

x

       

Symphytum officinale

Veldlathyrus

           

x

x

x

   

Lathyrus pratensis

Ruig klokje

           

x

       

Campanula trachelium

Braam, gewone

             

x

x

 

x

Rubus fruticosa

Muskuskaasjeskruid

               

x

   

Malva moschata

Bosbes

               

x

   

Scirpus sylvaticus

Zilverschoon

               

x

   

Potentilla anserina

Valeriaan

               

x

   

Valeriana officinalis

Verspr. goudveil

                 

x

 

Chrysosplenium alternifolium

Grote watereppe

                 

x

 

Sium latifolium

Hazelaar

                 

x

 

Corylus avellana

Beuk

                   

x

Fagus sylvatica

Struisgras, gewoon

                   

x

Agrostis Capillaris

Meidoorn spec.

                   

x

Crataegus species

 

 

Typering (naar den Held) van de vegetatie per raai:

Raai 1: nat loofbos.

Eiken-beukenklasse (38), waarin vooral opvallen Haagbeuk, Gewone vlier, Eenbes, Geel nagelkruid, Klein Springzaad, Robertskruid en Fluitekruid.

Raai 2: loof/naaldbos

Eiken-klasse (37), waarin vooral opvallen Grove den en Adelaarsvaren.

Raai 3: slootkant/berm

Klasse der vochtige graslanden (25), waarin vooral opvallen Harig wilgeroosje en akkerdistel.

Raai 4: Vochtig loofbos

Eiken-Beukenklasse (38), waarin vooral opvallen Gewone vlier, Zwarte els, Grote brandnetel en Gewone es.

Raai 5: Nat rietland (verstoord)

Bijvoetklasse (17), waarin opvallen Donzige klit en Grote brandnetel.

Raai 6A: Droog loofbos

Eiken-Beukenklasse (38) waarin opvallen Zevenblad, Grote Brandnetel, Fluitekruid en Gewone Vlier.

Raai 6B: Vochtig loofbos

Eiken-beukenklasse (38) waarin opvallen moesdistel, Grote Brandnetel, Gewone vlier en Zwarte els.

Raai 7: Vochtige ruigte/rietland

Klasse der vochtige graslanden (25) waarin opvallen Gewone engelwortel, Moesdistel, Smeerwortel en Veldlathyrus.

Raai 8: Nat rietland

Klasse der vochtige graslanden (25) waarin opvallen Moesdistel, Veldlathyrus, Fluitekruid en Akkerdistel.

Raai 9: Zeer nat rietland

Klasse der vochtige graslanden (25) waarin opvallen Veldlathyrus en Bosbies.

Raai 10: Nat loofbos

Eiken-beukenklasse (38) waarin opvallen Gewone es, Robertskruid, Klein springzaad, Grote Brandnetel, Gewone vlier en Hazelaar.

Raai 11: Droog loofbos

Eiken-Beukenklasse (37/38) waarin opvalt Beuk.

 

1

2

3

4

5

6A

6B

7

8

9

10

11

Kruidlaag (%)

30

30

80

50

80

70

60

70

80

65

50

80

Struiklaag (%)

60

20

5

5

-

70

50

-

-

-

10

-

Boomlaag (%)

10

60

-

30

-

-

10

-

-

-

40

40

Struik + boomlaag (%)

70

80

5

35

-

70

60

-

-

-

50

40

7.4.3 Resultaten7.4.3 Resultaten.4.3 Resultaten

7.4.3.1 Individuen.4.3.1 Individuen.4.3.1 Individuen

soort

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

tot

%

GB

11

2

     

1

     

13

1

28

13

RW

12

10

 

25

 

12

 

1

 

11

 

71

33

BR

   

4

 

14

 

25

15

12

4

3

77

35

BS

   

1

           

5

 

7

3

Bsp

   

1

 

6

     

1

2

5

15

7

Dsp

   

1

       

2

2

 

7

7

3

Wsp

       

3

       

2

 

5

2

Mwsp

           

1

       

1

<1

NW

           

1

2

     

3

1

He

   

1

       

1

     

2

1

We

       

2

           

2

1

tot

23

12

8

25

25

14

27

21

15

37

11

218

100

%

11

6

4

11

11

6

12

9

7

17

5

100

 

m/v

2,3

1,2

0,8

2,5

2,5

1,4

2,7

2,1

1,5

1,7

0,6

1,8

 

Alle aantallen muizen die gevangen zijn per raai met uitzondering van alle dubbelvangsten met toevoeging van vangsten van hermelijn en wezel zijn weergegeven in de tabel hiernaast.

Toelichting:

m/v: hier is weergegeven het aantal muizen dat gemiddeld per val is gevangen

NB1 Totale vangstpercentage is 280/412 * 100% = 68%.

NB2 In totaal is 1032 keer een val nagekeken, waar in 27% (280/1032*100%) van de gevallen een muis in zat. Per controle zijn dus gemiddeld 11 (27%*40) muizen gevangen.

In tabel 7.4.6 (wegens plaatsgebrek op de volgende pagina) wordt hetzelfde gedaan voor de terugvangsten. Toelichting bij deze tabel:

Het aantal individuen dat is teruggevangen per raai per soort met totalen, percentages van het geheel (muizen per raai en aantal muizen per soort) en in de meest rechtse kolom een combinatie met tabel 7.4.5. De percentages geven daarin het aantal terugvangsten in verhouding tot totaal gevangen muizen van die soort weer.

 

 

 

 

 

soort

1 X

2 X

3 X

4 X

tot.

X legen

GB

1

2

   

3

5

RW

6

4

1

 

11

17

BR

13

4

2

2

21

35

BM

2

     

2

2

Wsp

1

     

1

1

NW

2

     

2

2

totaal

25

10

3

2

40

62

Totaal zat er 62 keer een val 'extra' dicht. In totaal zijn er 218 individuen gevangen, waarvan een dubbelvangst (twee individuen in een val). In totaal is er 279 keer een val geleegd: 218 + 62 - 1 en 280 keer een muis gevangen.

 

 

7.4.3.2 Verplaatsingen.4.3.2 Verplaatsingen.4.3.2 Verplaatsingen

Omdat de raaien op voor muizen overbrugbare afstand van elkaar stonden zijn er waarnemingen bekend geworden van terugvangsten van muizen in bepaalde raaien van muizen uit andere raaien.

Hierbij moet een kanttekening worden gemaakt: niet alle verplaatsingen kunnen zijn geregistreerd, voornamelijk omdat er meerder muizen van dezelfde soort en geslacht

 

Soort en geslacht

raai/controle eerste vangst

raai/controle terugvangst

meters afstand

Grote Bosmuis, _

1/8

10/23

25

Rosse woelmuis, _

4/4

6/8

50

Brandmuis, _

8/15

9/17

25

Brandmuis, _

8/16B

9/18

25

Brandmuis, _

8/16B

9/18

25

Brandmuis, _

8/15

9/18

25

Brandmuis, _

10/21

11/25

50

Brandmuis, _

5/11

11/25

70

met hetzelfde merk rondliepen en doordat niet alle gevangen muizen waren gemerkt. De bewegingen zijn weergegeven op kaart 7.5 op de volgende pagina. In de tabel hiernaast zijn de bewegingen schematisch weergegeven.

Sommige verplaatsingen zijn verwaarloosbaar omdat de raaien erg dicht bij elkaar liggen, opvallend is het echter wel dat bijna alleen mannetjes zich vrij ver verplaatsen en dit weer vnl. gebeurt bij de apodemus-soorten (Brand- en grote Bosmuis). Dat dit gebeurt is vrij eenvoudig te verklaren met het feit dat de vrouwtjes zich in deze periode vooral met de jongen bezighouden en dus gebonden zijn aan een klein gebied.

 

Soort

dood

totaal

% sterfte

Noordse woelmuis

1

3

33

Grote bosmuis

2

28

7

Bosspitsmuis

11

15

73

Brandmuis

2

77

3

Waterspitsmuis

2

5

40

Millers waterspitsmuis

1

1

100

Dwergspitsmuis

4

7

57

Rosse woelmuis

1

71

1

totaal

24

218

11

7.4.3.3 Doodvangsten

 

Er zijn in totaal 24 dode muizen uit de vallen gehaald. Dit is altijd een vervelende zaak die alleen op te lossen valt door vaker te controleren.

Het sterftecijfer over het geheel is 11% (24/218 * 100%). De 11% impliceert het sterftecijfer van de individuen. In werkelijkheid is het sterftecijfer lager als je de kans op sterfte per keer dat een val dichtzat bekijkt: 24/279*100% = 9%.

In de tabel hiernaast worden de treurige cijfers uitgesplitst naar de soorten.

Kaart 7.5 Verplaatsing van muizen

 

soort

dag

nacht

tot.

% dag

% nacht

GB

5

23

28

18

82

RW

34

37

71

48

52

BR

12

65

77

16

84

BM

0

7

7

0

100

Bsp

3

12

15

20

80

Dsp

3

4

7

43

57

Wsp

1

4

5

20

80

MWsp

0

1

1

0

100

NW

0

3

3

0

100

He

2

0

2

100

0

We

1

1

2

50

50

7.4.3.4 Nacht en dagactief.4.3.4 Nacht en dagactief.4.3.4 Nacht en dagactief

Overzicht van het aantal overdag (na ochtendcontrole en voor avondschemer) en het aantal 's nachts (na avondschemer en tot en met de ochtendcontrole) gevangen individuen per soort muis. De terugvangsten zijn hierbij niet betrokken omdat er van uitgegaan wordt dat zij zich gelijk verhouden als de individuele vangsten.

Overdag omvat de controles 2, 4A, 5, 6A, 7,10, 12, 14, 16A, 18, 20 en 22.

's Nachts omvat de controles 1, 3, 4, 6, 8, 9, 11, 13, 15, 16A, 17, 19, 21, 23, 24 en 25.

De percentages geven weer of de soort danwel dagactief is (100%) dan wel nachtactief (100%) of in welke mate (0-100%) dag of nachtactief.

 

7.4.3.5 Biotoopvoorkeuren.4.3.5 Biotoopvoorkeuren.4.3.5 Biotoopvoorkeuren

Deze paragraaf omvat veel percentages. Het principe is makkelijk: steeds wordt er bij een vastgestelde biotoop bekeken hoeveel muizen van een bepaalde soort daar gevangen zijn.

soort

VZ

V

Z

O

R

T

r

GB

86

4

82

   

86

14

RW

65

52

32

1

1

86

14

BR

5

 

5

91

86

96

4

BM

71

14

57

14

 

85

15

Bsp

13

 

13

53

47

66

34

Dsp

     

71

57

71

29

Wsp

40

 

40

60

60

100

 

MWsp

     

100

100

100

 

NW

     

100

100

100

 

He

     

100

50

100

 

We

     

100

100

100

 

Dit wordt bekeken ten opzichte van het totaal van de vangsten van die soort (percentages). Een hoog percentage bij een biotoop betekent een sterke voorkeur van die muizensoort voor dat biotoop.

Voorbeeld: grote bosmuis, zeer vochtig loofbos: 82 => dit betekent dat 82% van de Grote Bosmuis gevangen is in zeer vochtig loofbos: er bestaat een zeer sterke voorkeur.

Afkortingen in de tabel:

VZ: Vochtig tot zeer vochtig loofbos samen (Raai 1, 4, 6, 10)

V: Vochtig loofbos (apart)

(Raai 4, 6)

Z: Zeer vochtig loofbos (apart)

(Raai 1, 10)

O: Open vegetaties (zonder bomen/struiken)

(Raai 3, 5, 7, 8, 9)

R: Rietvegetatie min of meer nat

(Raai 5, 7, 8, 9)

T: Totaal

(Raai 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10)

r: overige raaien

(Raai 2 en 11)

 

soort

11

6A

2

6B

4

3

1

7

8

10

9

5

GB

1

 

2

1

   

11

   

13

   

RW

 

4

10

8

25

 

12

 

1

11

   

BR

3

       

4

 

25

15

4

12

14

BS

     

1

 

1

     

5

   

Bsp

5

       

1

     

2

1

6

Dsp

2

       

1

   

2

 

2

 

Wsp

                 

2

 

3

MWsp

             

1

       

NW

             

1

2

     

He

         

1

   

1

     

We

                     

2

De gevangen aantallen muizen per soort en per raai, zoals weergegeven in tabel 7.4.5, worden in de volgende drie tabellen gekoppeld aan:

1. de toenemende mate van natheid (7.4.12),

2. de toenemende mate van dichtheid van de struik- en boomlaag (7.4.13) en

3. de toenemende mate van dichtheid van de kruidlaag (7.4.14).

In sommige gevallen is sprake van een even grote dichtheid van vegetatie: dit wordt in de tabellen aangegeven door stippellijnen tussen de kolommen van de desbetreffende raaien.

De grijze vakken geven significante biotoopvoorkeuren aan.

soort

5

7

8

9

3

4

11

10

6B

1

6A

2

GB

           

1

13

1

11

 

2

RW

   

1

   

25

 

11

8

12

4

10

BR

14

25

15

12

4

 

3

4

       

BS

       

1

   

5

1

     

Bsp

6

   

1

1

 

5

2

       

Dsp

   

2

2

1

 

2

         

Wsp

3

           

2

       

MWsp

 

1

                   

NW

 

1

2

                 

He

   

1

 

1

             

We

2

                     

 

soort

6A

1

2

4

10

6B

9

7

3

5

8

11

GB

 

11

2

 

13

1

         

1

RW

4

12

10

25

11

8

       

1

 

BR

       

4

 

12

25

4

14

15

3

BS

       

5

1

   

1

     

Bsp

       

2

 

1

 

1

6

 

5

Dsp

           

2

 

1

 

2

2

Wsp

       

2

       

3

   

MWsp

             

1

       

NW

             

1

   

2

 

He

               

1

 

1

 

We

                 

2

   

 

 

 

 

7.4.4 Soortbespreking.4.4 Soortbespreking.4.4 Soortbespreking

Alle gegevens zijn zo compleet mogelijk weergegeven in het voorafgaande deel van het verslag. De soortbesprekingen die nu volgen zijn gebaseerd op die gegevens, op de gegevens die uit de beschikbare literatuur konden worden gehaald en voor het belangrijkste gedeelte gebaseerd op het beeld dat ondergetekende van bepaalde soorten heeft gekregen tijdens het onderzoek. Het gevoelsmatige wordt zoveel mogelijk gestaafd met geconstateerde feiten. Hopelijk geeft het inzicht in de leefwijze van de verschillende soorten muizen.

 

*1 Grote Bosmuis

Deze soort is sterk gebonden aan een dichte bovenlaag van de vegetatie in de vorm van struiken en bomen, waarbij opvalt dat de Grote Bosmuis voorkeur heeft voor zeer vochtig loofbos boven vochtig loofbos. Terugvangst in raai 10, waarbij vallen aan beide zijden van een beek waren geplaatst, wees erop dat de Grote Bosmuis de beek overstak. De Grote Bosmuis heeft dus zeker geen watervrees.

De Grote Bosmuis is met 13% in het gebied een algemene muis en zeer honkvast. Het percentage terugvangsten is slechts 11% (3 van de 28 individuen, tabel ...) en van die terugvangsten hebben zich twee individuen nauwelijks door de raai verplaatst. Het derde individu heeft zich in 8 dagen 50 meter verplaatst (zie tabel ... en kaart ..., verplaatsing raai 1 naar 10).

De trend is duidelijk: bij toenemende struik+boomlaag neemt het aantal Grote Bosmuizen toe.

De Grote Bosmuizen zijn alle met zekerheid gedetermineerd aan de hand van in eerste instantie opvallende grootte, kleur van de vacht, grootte van de ogen en de typerende groffe kop, in tweede instantie op halsbandstreep, achtervoetlengte en staart/koprompverhouding.

Bij één Grote Bosmuis is een staartlengte gevonden die 15 mm groter was dan kop-romplengte: GB _, K-R 95, st 110. Bekend is K-R 85-130, st 92-135.

*2 Rosse woelmuis

De Rosse woelmuis heeft een voorkeur voor vochtig loofbos boven zeer vochtig loofbos (52 tegen 32%) en voor loofbos in het algemeen geldt een zeer sterke voorkeur (85%). Uit de tabellen blijkt dat de Rosse woelmuis haar piek bereikt bij raai 4.

Hiermee lijkt bewezen dat de Rosse woelmuis vooral in vegetatie huist waar de kruidvegetatie een lage bedekkingsgraad heeft. Het ligt iets genuanceerder. In bos is de kruidvegetatie meestal slecht ontwikkeld wegens lichtgebrek. De Rosse woelmuis tracht een vegetatie te vinden dat veel bos heeft en toch een ontwikkelde kruidvegetatie, zoals dat in raai 4 het geval is; 50% bedekkingsgraad kruidvegetatie en 35% struik+boomlaag bedekkingspercentage.

Opmerkelijke vangst van een Rosse woelmuis was een fors exemplaar in raai 8. In eerste instantie werd aan de juistheid van de determinatie getwijfeld aangezien het een geschikte biotoop voor Noordse woelmuis (die daar ook gevangen is) was. Er was echter een duidelijk verschil in vacht. De een was meer ruig (borstelachtig) en de ander gelijkmatiger en van duidelijke roodbruine kleur (Rosse woelmuis).

De Rosse woelmuis is bijna net zo actief overdag als 's nachts (48 tegen 52%).

*3 Brandmuis

De eerste vangst van een Brandmuis in het onderzoeksgebied leek belangrijk, niet wetende dat er nog 76 individuen gevangen zouden worden.

De Brandmuis bleek uiteindelijk meer gevangen te zijn dan de Rosse woelmuis. Dit komt onder meer doordat de aandacht eerst op nat en vochtig loofbos werd gevestigd met het potentieel voorkomen van Grote Bosmuis en waterspitsmuis en later met meer aandacht voor wat voor muizen er in de natte rietvegetatie huisden. Hier zijn 91% van de Brandmuizen gevangen!

De factor 'nattigheid' is eveneens van belang voor Brandmuizen. Ook hier zijn maarliefst 91% (V+Z+R, tabel ...) van de brandmuizen gevangen.

De piek is duidelijk niet bij het natste gebied maar laat duidelijk voorkeur zien voor vochtige gebieden.

De 3 individuen gevangen in raai 11 vormen een uitzondering op deze regel, twee individuen kwamen echter uit een andere raai (5 en 10). De vallen in raai 11 stonden langs een graanakker en nadat deze was gemaaid werden de drie brandmuizen gevangen. Dit zou er op kunnen duiden dat de Brandmuizen in de akker foerageren en steeds weer terugkeren naar hun holen aan de rand van de akker. Door de maaiwerkzaamheden, die ook 's nachts plaatsvonden, hebben sommige muizen zich niet tijdig terug kunnen vervoegen en toevlucht gezocht in andere holen, in dit geval de vallen in raai 11.

Dat de Brandmuis een leven leidt waarbij hij zich veel verplaatst blijkt ook wel uit de zes waarnemingen van Brandmuizen die zich van raai naar raai hebben verplaatst.

Voortbouwend op de hypothese dat Brandmuizen zich van schuilplaats steeds vervoegen naar foerageerplaats en deze twee plekken sterk verschillen van begroeiing (bv. een nat rietland en een graanakker) is verklaarbaar waarom er zoveel Brandmuizen zijn gevangen!

Bijna alle vallen waarin Brandmuizen zijn gevangen stonden op de hypothetische doorlooproute van schuil- naar foerageerplaats. Daar komt nog bij dat er overdag nauwelijks brandmuizen zijn gevangen, de muizen wagen zich dan niet ver van de schuilplaats en 's nachts (na de avondschemer en voor de ochtendschemer) veel verder.

Daarbij passeren ze de vallen op zoek naar voedsel. Dit leverde 59 van de 77 Brandmuizen op: raai 3, 7, 8, 9 en 11. De overige 18 werden (vermoedelijk) gevangen nabij de schuilplaatsen van de Brandmuis.

Bijzonderheden:

- Dubbelvangst Brandmuis

- Mannetje met rossige tekening

- Vrouwtje met afwijkende tekening (zie tekening)

- Afmetingen: (K-R/st) _, 100/75 en _ 90/75,

bekend: 90-115/70-85

*4 Bosmuis

De Bosmuis is niet veel gevangen tijdens het onderzoek. De determinatie van de Bosmuizen was vrij moeilijk. De duidelijk Grote Bosmuizen met grote achtervoet en halsband konden er natuurlijk zo uitgehaald worden. Daarnaast waren er bosmuizen met onderbroken halsband of vage halsband met grote achtervoet die ook als Grote Bosmuizen zijn gedetermineerd. De kleinere Bosmuizen die grijs getint waren, geen halsband en vaak ook geen geel vlekje zoals beschreven in Zoogdieren van de Benelux (blz 112) zijn gedetermineerd als Bosmuizen. Twee twijfelgevallen in Raai 10 en 1 zijn aanvankelijk als Bosmuis getypeerd maar hielden het midden tussen beide soorten: achtervoetgrootte goed voor beide soorten, de kleur vacht op de rug kon voor beide soorten evenals de kopromplengte. De halsbanden waren bij beide hoog op de keel geplaatst en smal.

De bosmuis is nachtactief evenals de twee andere apodemussoorten Brandmuis en Grote Bosmuis en leeft een wat teruggetrokken leven. Komt voornamelijk (71%) voor in loofbos en daarnaast bijna in alle onderzochte vegetatietypes (V,Z,O), waardoor geen specifieke voorkeur voor natheid of dichtheid van de vegetatie gegeven kan worden.

*5 Bosspitsmuis (gewone - Sorex araneus)

De bosspitsmuis is de algemeenste spitsmuissoort in het onderzoeksgebied. In 7% van de vangsten betrof het een bosspitsmuis. De muis doet in dit gebied zijn naam weinig eer aan: 60% (R+Z) heeft het liefst een natte component in de vegetatie en 53% (O) geeft de voorkeur aan open vegetaties. De bosspitsmuis is dus een muis die zich in veel biotopen thuisvoelt en zeker niet gebonden is aan 'bos'.

Opmerkelijk was dat de bosspitsmuis in de meeste gevallen dood werd gevangen, verhoudingsgewijs zelfs meer dan de Dwergspitsmuis die er om bekend staat nog sterftegevoeliger te zijn. Wellicht dat de bosspitsmuis een veel minder teruggetrokken leven leidt dan de Dwergspitsmuis: hij is eerder te verleiden, minder gevoelig voor verstoring en kruipt dus eerder in de vallen waardoor een langer verblijf in de vallen en een verhoogd risico op sterfgevallen.

Dat de bosspitsmuis toch meer nachtactief (80%) is dan de dwergspitsmuis is omdat de bosspitsmuis zich meer kan veroorloven: hij hoeft verhoudingsgewijs minder te consumeren dan de Dwergspitsmuis.

*6 Dwergspitsmuis

De dwergspitsmuis is na de bosspitsmuis de meest gevangen spitsmuissoort. Er zijn 7 individuen gevangen gedurende het onderzoek. De Dwergspitsmuis heeft een voorkeur voor open gebied (71%) met vochtige component (57%). De Dwergspitsmuis heeft meer voorkeur voor open terrein dan de Bosspitsmuis (71 tegen 53%). De Dwergspitsmuis is gedurende de hele dag actief getuige de cijfers voor dag- en nachtactiviteit (43 en 57%). De Dwergspitsmuis leidt echter een iets meer teruggetrokken leven dan de Bosspitsmuis en is ook gevoeliger voor storing.

*7 Waterspitsmuis

De waterspitsmuis is zes keer gevangen. Wij twijfelden even of we de waterspitsmuizen zouden merken aangezien de ondoorlatendheid van water van de vacht dan zou worden aangetast. Gezien de goede conditie van het individu dat teruggevangen werd is die twijfel onnodig geweest. Voor de vangst van een deel van de waterspitsmuis is gebruik gemaakt van dode vis. Dit gaf geen betere resultaten te zien dan het gebruik van pindakaas.

Dat de waterspitsmuis voorkeur heeft voor zeer natte vegetaties mag duidelijk zijn. Dat daarbij het percentage van de struik+boomlaag er weinig toe doet is echter opzienbarend. De waterspitsmuis voelt zich net zo thuis in zeer nat rietland (met beek) als in zeer nat loofbos (met beek). Alleen de potentiële voedselvoorziening uit de beek lijkt de factor te zijn voor het voorkomen van de waterspitsmuis.

Omdat de waterspitsmuis niet gevangen is in de raaien 7,8,9 en 3 die alle vier in randvegetatie waren geplaatst maar op zich een geschikt biotoop herbergden voor de waterspitsmuis lijkt de conclusie dat de waterspitsmuis een soort is die zich diep in de vegetatie ophoudt juist.

*8 Miller's waterspitsmuis/moerasspitsmuis

Slechts één vangst, gedaan in raai 7 waar de vallen op de grens van een ruigte en een nat rietland waren geplaatst. Qua vochtigheid staat deze raai aan het begin van de reeks geschikte biotopen voor waterspitsmuis. Hiermee lijkt het dat de Millers Waterspitsmuis minder vochtgebonden is dan de waterspitsmuis en ook meer op randvegetaties te vinden is. Aan de hand van één vangst is dit echter moeilijk vast te stellen.

De Millers Waterspitsmuis is slanker gebouwd dan de waterspitsmuis, de kiel aan de staart wordt gevormd door een rij haren is minimaal evenals de paar borstelharen op de achterpoot.Een klein miniem wit vlekje grenzend aan het oog was te zien. De gevangen Millers Waterspitsmuis had een vrij vage demarcatielijn en de bovenvacht was bruinzwart van kleur. De snuit is spitser en minder peervormig dan bij de waterspitsmuis. De muis is opgenomen in de collectie van het Rijksmuseum te Leiden.

*9 Noordse woelmuis

De drie individuen zijn alle gevangen in hetzelfde biotoop, een nat rietland waarvan alleen de vochtigheidsgraad iets varieerde. Hiermee lijkt het dat de Noordse woelmuis een sterke voorkeur heeft voor een bepaalde biotoop met een bepaalde natheidsgraad. In heel erg nat gebied waarbij het biotoop in principe wel geschikt was voor de Noordse Woelmuis werd hij niet gevangen. De Noordse Woelmuis lijkt hiermee hoge eisen te stellen aan vochtigheidsgraad. (Zie ook Rosse woelmuis.)

*10 Wezel en

*11 Hermelijn

De hermelijn is gevangen in raai 3 en raai 8, beide vrij vochtige biotopen. De wezel is gevangen in raai 5, een zeer nat biotoop. Hiermee lijkt de vooronderstelling dat de Wezel meer drogere terreinen kiest dan de Hermelijn onjuist. Tevens moet worden vermeld dat de twee wezels in raai 5 op vis als lokaas zijn afgekomen, bedoeld als lokaas voor de waterspitsmuizen. Ook dit staaft de conclusie dat de wezel hier bekender is met natte terreinen.

 

 

7.5 Aandachtsgebieden7.5 Aandachtsgebieden7.5 Aandachtsgebieden

Kaart 7.6 op de volgende pagina geeft aan wat er in het gebied in principe moet worden beschermd, niet alleen uit het oogpunt van de zoogdieren die er voorkomen maar ook uit het oogpunt van de rest van flora en fauna.

Daarnaast zijn er ee viertal aandachtsgebieden aan te wijzen waar extra natuurwaarden maken dat bescherming noodzakelijk is. In dit hoofdstuk worden die gebieden omschreven.

Kaart 7.6 Aandachtsgebieden

Aandachtsgebied 1 (Kampterrein)

Dit gebied omvat voor het grootste gedeelte het onderzochte gebied zoals omschreven bij het muizenonderzoek. De gebieden waarin raai 1, 5, 7, 8, 9 en 10 waren gesitueerd worden hier in het speciaal mee bedoeld. Hierbij komt nog een bos ten Noord-westen van raai 10 waarin veel oude bomen vleermuizen de gelegenheid geeft kolonies te vormen.

Aandachtsgebied 2 (IJsvogelmeertje)

Gebied 2 ligt ten Noordoosten van gebied 3 (zie verderop) en omvat een zeer soortenrijk hellingbos met schuilmogelijkheden voor ree, vos en das (wellicht is er een burcht aanwezig!) en biedt de Grote bosmuis een ideale omgeving. Daarnaast loopt een zeer heldere beek langs de helling met perfecte omstandigheden voor waterspitsmuizen. Een uitgebreide oevervegetatie van een zijmeertje valt eveneens onder gebied 2 en biedt, naast veel nestgelegenheid voor watervogels, de ruimte voor de otter.

Aandachtsgebied 3 (Vis(arenden)meer)

Dit omvat het midden, het zuiden en zuidwesten van het grote meer dat ten westen van Recz ligt. Midden in dit meer bevinden zich wat begroeide slijkplaatjes waar veel vogels voedsel en nestgelegenheid vinden en zeker ook zoogdieren als otter ruimte bieden. Aan de rand van het meer in het zuiden-zuidwesten bevinden zich overgangszones met veel oeverplanten en vochtminnende boomsoorten. Een ideaal gebied voor zoogdieren als; Noordse woelmuis, Waterspitsmuis, en vergelijkbaar met raai 5 en raai 10 uit het muizenonderzoek.

Aandachtsgebied 4 (Roodhalsfutenmeertje)

Dit gebied ligt ten zuidwesten van het grote meer en is in feite op kleine schaal hetgeen bij gebied drie is omschreven. Het bestaat uit een meertje met mooie overgangszones tussen nat en droog en uit een droogstaand meertje (op het moment dat wij daar waren) die iets kunstmatig aandeed door vrij abrupte begrenzingen. Desalniettemin bieden beide meertjes veel perspectief voor een breed scala aan vogels en zoogdieren.

 

7.6 Conclusie7.6 Conclusie7.6 Conclusie

De belangrijkste conclusie van het zoogdierenonderzoek is dat het landschap zoals dat nu is waardevol is voor vele zoogdieren.

Het herbergt ongeveer 30 soorten zoogdieren van Millers waterspitsmuis tot Das. de rijkdom is te wijten aan een redelijk ongeschonden natuur. (Op de landbouwgebieden na.) Het afwisselende landschap echter, dat voornamelijk aan de mens te danken is, maakt ook dat de fauna afwisselender is en dus van grote kwaliteit. (soortenrijkdom)

Aan kwantiteit zal het hier en daar schorten en daarom zullen beschermende maatregelen nodig zijn. Daarbij wordt in de eerste plaats gedacht aan Otter en Steenmarter. Ook Das, Millers Waterspitsmuis en Noordse woelmuis hebben die zeker nodig.

De laatste twee zijn erg milieugebonden en dus moeilijk te beschermen, (biotoopbescherming is hier de eerste vereiste), de andere zoogdieren zouden op grootschalige wijze kunnen worden beschermd. (Beschermde soortenlijst opstellen, voorlichting etc.)

Voor Recz en omgeving wordt geadviseerd vooral de natte gebieden te beschermen, zowel lettend op milieubelasting als belasting door mensen (betreding of ontginning) i.v.m. het voorkomen van kwetsbare en zeldzame soorten.

Het gehele gebied zoals aangegeven op kaart ... dient te worden beschermd uit het oogpunt van de aanwezige flora en fauna. Uit het oogpunt van de zoogdieren speelt de aanwezigheid van Otter, Das, Millers waterspitsmuis, waterspitsmuis, hamster, Noordse woelmuis en steenmarter een grote rol. Voor de Otter, Waterspitsmuis. Millers Waterspitsmuis en Noordse woelmuis zijn de aandachtsgebieden een richtlijn die bij afsluiting voor mensen positieve effecten zullen hebben op de populaties. Deze gebieden zijn namelijk extra kwetsbaar door hun zeer specifieke eisen. In het overige gearceerde gebied wordt aanbevolen een natuurgebied te creëren waarin de mens op bezoek kan komen maar verder geen invloed meer heeft op de natuur, behalve de bestaande beheersmaatregelen om het bos in stand te houden.

Een belangrijk aspect bij het tot stand brengen van zo'n natuurgebied is de voorlichting. Door goede voorlichting kunnen soorten als Das, Steenmarter en Otter ook buiten het gebied rekenen op een zekere bescherming.

 

7.7 Dankwoord7.7 Dankwoord7.7 Dankwoord

Tot slot een dankwoord aan allen die mij hebben geholpen tijdens en na het onderzoek. In het speciaal gaat mijn dank uit naar Annette de Groot en Matthijs Borst, mijn steun en toeverlaten in Polen. Gaarne wil ik Roef Mulder en Mathijs Borst bedanken voor hun steun bij het batdetectoronderzoek. Dankzij velen heb ik op het kamp een redelijk tot goed overzicht gekregen van het voorkomen van een groot aantal zoogdieren. Hiervoor wil ik allen, vooral diegene die bij de soortbesprekingen genoemd zijn, bedanken. Zij hebben mij, steeds met groot enthousiasme en nieuwsgierigheid, het hele kamp door waarnemingen doorgegeven die geleid hebben tot dit verslag van losse waarnemingen van zoogdieren in Recz. Ook voor de reeënwaarnemingen ben ik veel mensen dank verschuldigd. Bij deze dank.

Voor het verwerken van mijn handschrift in leesbare vorm dank ik Rene Kreeftenberg en Riemke Bitter. En voor de prachtige illustraties (die nu ik dit schrijf nog niet voorhanden zijn (- ik heb er ook geen ontvangen, red.) Aart Kalma en Peter Twisk.

 

 

Literatuur

Dirkmaat J.J., 1988. De Das in Nederland, Hoogezand

Bishop I., 1983. Zoogdieren van Europa, Helmond

Lange R. et al., 1986, Zoogdieren van de Benelux, JBU, Amsterdam

Broekhuizen, S. et al., 1992, Atlas van de Nederlandse zoogdieren, KNNV, Utrecht

Meijden, R. van der, 1990, Heukels' Flora van Nederland, Wolters Noordhof, Groningen

Held, J.J. den, 1985, beknopt overzicht van de Nederlandse Plantengemeenschappen, KNNV wm 134, Hoogwoud

König, C. 1970. Zoogdieren van Europa, Zomer & Keuning, Wageningen

Deelnemerslijst en KCDeelnemerslijst en KCDeelnemerslijst en KC

 

 

 

Bram Aarts

Stefan Barendse

Rutger Barendse

Sytze Bernardus

Jan Bisschop

Matthijs de Boer

Mieke Bon

Bas van de Boogaard

Matthijs Borst

Tineke Bosma

Roel Brienen

Addo van der Eijk

Angelique Geuze (kook)

Annet de Groot

Ellen Heersink (TL)

Marcel Hospers

Andre Hospers

Hans Inberg (BL)

Martijn de Jong (BL)

Hein van Kleef

Eline Kunst

Arnt de Lange

Alma Leegwater

Kees van Lent

Waiwah Man

Yves Martens

Annemieke Memelink

Elsbeth Memelink

Heleen de Mul

Roef Mulder

Arthur Neggers

Niels Nijsingh

Maarten Onneweer

John Reichwein (ping)

Egbert van Rijzingen

Ewout Sala

Katja Schaap

Ernest Smeets

Bert Storm

Chris van Turnhout

Martijn Vogels

Ellen Weide (TL)

Janneke Wessels

Pierre van der Wielen (BL)

Frank Willems

Anna Willemsen

Nienke van Willigenburg

Ryette Zandt